Acclimatiseren in chaotisch sprookjesland

Dit keer een verhaal over Marokko inclusief foto’s. De eerste twee dagen waren we te druk met om ons heen kijken om foto’s te maken. We waren gebleven in Tetouan. Daar hebben we de volgende dag nog rustig rondgewandeld in de kleine steegjes van de Medina. Zoals gezegd is het nogal een doolhof, maar het bleek minder ingewikkeld dan onze gids het de vorige dag deed voorkomen. Na een paar verkeerde afslagen en wat doodlopende gangetjes, waarbij we begeleid werden door een groep joelende kinderen (we gaan er even vanuit dat ze slechts woorden van welkom riepen), vonden we een geschikte medina-navigatie. De truc is om zo veel mogelijk met het (voet)verkeer mee te gaan in de richting die het meest dichtbij zit bij de kant waar jij denkt heen te moeten. Dat laatste kan nogal een uitdaging zijn, dus regel nummer 2 is dat je vooral geen haast moet hebben en slechts enthousiast wordt bij het herkennen van reeds gepasseerde plekken. Dan voel je je er zo lekker thuis.

Dat is sowieso opvallend. Misschien komt het doordat we nog niet in heel grote steden zijn geweest, maar tot nu toe raken we steeds snel vertrouwd met het dorp en de mensen. De eersten die je tegenkomt en de dagen erna weer herkent zijn de leden van de mannetjesmaffia (zie ook aparte post). Maar ook het personeel van het hotel zie je lopen (en groeten je hartelijk), en binnen de kortste keren heb je een vaste omelet-dealer, watermannetje en verse jus leverancier.

En dan zijn er natuurlijk nog de toeristen. Die zijn pijnlijk opvallend in Marokko. De verschillende soorten toeristen in ‘moeilijke landen’ zijn prachtig omschreven door Jelle Brandt Corstius in zijn ‘Universele Reisgids voor Moeilijke Landen’. Die heb ik even niet bij de hand, maar op risico van plagiaat wil ik toch de volgende drie soorten in het zonnetje zetten: de kuddetoerist, de tulbandtoerist en de vakantie-outfit-toerist. De kuddetoeristen wordt door hun herder uit de bus gelaten en snel langs de highlights gedreven. Ze blijven veelal dicht bij elkaar en kijken met gemengde angst en bewondering om zich heen. De omgeving is indrukwekkend, maar de roofdieren van de mannetjesmaffia liggen altijd op de loer. Drijf je te ver van je kudde, dan zal een van deze roofdieren meteen tot de aanval overgaan.

De tulbandtoerist is een solitair dier. Hij heeft zich aangepast aan het leven buiten de kudde door met een sluwe vermomming proberen te infiltreren in de lokale bevolking. (Nodeloos te noemen dat ze hier jammerlijk in falen.) En de onvermijdelijke ‘dit-is-mijn-vakantie-outfit’ toeristen, herkenbaar aan wijde korte broek boven de knie, een praktisch t-shirt en sandalen (Nederlanders) of witte gympen (Amerikanen). Maar wat voor toerist dan ook, omdat ze zo opvallen en zulke vertrouwde westerse koppen hebben in een verder onbekende omgeving krijg je al snel de neiging om ze allemaal hartelijk te groeten als oude bekenden. Kwin vraagt zich af of dit zijn voorland is van ons voornemen om buiten Amsterdam te gaan wonen: een dorp waar iedereen elkaar kent en groet en in de gaten houdt. De tijd zal het leren Kwin.

Naast de mensen voelt ook het dorp of de stad zelf snel vertrouwd aan. Met onze medina-navigatie is de weg naar het hotel snel gevonden. Er zijn weinig dingen zo bevredigend als met een nonchalant gezicht zonder twijfel tien keer links en rechts te gaan en dan ook daadwerkelijk aankomen. Of niet, zolang je er maar bij blijft kijken alsof het de bedoeling is. Kortom, wij proberen ons gebrek aan tulband en puntmutsgewaad te compenseren met een ‘local attitude’. (Nodeloos te noemen dat wij hier ongetwijfeld kansloos in falen.)

Iets anders wat je kunt doen om te integreren met de lokale bevolking is interesse tonen in (Spaans) voetbal. Iedere vorm van voetbal is populair, maar als Barcelona speelt dan zijn de cafés letterlijk te klein. Alle mannen zitten samen voetbal te kijken en op straat klinkt het alsof Nederland speelt op een belangrijke WK wedstrijd: plotseling luid gejuich bij doelpunten. Bijzonder dat een competitie van een ander land dat los kan maken. Ik moet zeggen dat ik wel begrijp waarom dan Spanje. Die wedstrijden zijn bijzonder levendig, van het eerste fluitsignaal tot het laatste rennen ze rond alsof het de laatste bepalende minuten van de verlenging zijn. Daar kunnen onze Nederlandse ‘rustig de bal rondspelen op eigen helft’ teams en tijdrekkende keepers nog wat van leren.

Omdat je in cafés bijna alleen maar mannen ziet zitten, ook zonder voetbal, geeft mij het gevoel dat de mannen hier de roddeltantes zijn. Ze zitten eindeloos met elkaar te kleppen onder het genot van een kopje mierzoete thee. Ook zien we hier meer mannen hand in hand lopen dan in Amsterdam. Ze hebben er zeker andere bedoelingen mee, maar ze zijn meer van het aanraken dan de gemiddelde westerling. Zie je een vriend of kennis lopen (iedereen in het dorp dus): hup 2 tot 4 zoenen, een handdruk en nog een arm om de schouder. Daarnaast is de ‘personal space’ veel kleiner. We dachten eerst steeds dat iemand naar ons toe kwam lopen of aan onze fietsen ging zitten, maar het is hier gewoon normaal om op 2 cm van een tafeltje of fiets te lopen zonder daar verder iets mee te willen. Geen wonder ook als je de krappe ruimtes in de medinasteegjes gewend bent. Tot zover dit stukje ‘fascinerende culturele verschillen’, tot de volgende keer…

Na Tetouen gaan we op weg naar Chefchaouen. Het is best een stuk omhoog, maar het is leuk fietsen. We zien voortdurend opgestoken duimen van enthousiast toeterende Marokkanen, en als we ergens langs de weg stoppen om wat zonnebrand te smeren komt een man ons spontaan meer druiven aanbieden dan in onze tassen passen. Veel mensen lijken het oprecht leuk te vinden dat we Marokko op de fiets komen bekijken. Met name vrachtwagenchauffeurs toeteren vrolijk. (Ze hebben hier net zo veel toeterklanken als eskimo’s woorden voor sneeuw hebben.) Een ander mooi gebaar naar fietsers toe zou het installeren van roetfilters zijn, maar alles op zijn tijd. De frisse berglucht wordt afgewisseld door hoestende auto’s die maar net sneller dan wij de berg op komen.

Chefchaouen is werkelijk sprookjesachtig. De medina heeft iets bredere straatjes dan Tetouan, en ze zijn aanzienlijk beter onderhouden. Alles is wit en blauw, en op veel plekken zijn er pergola’s met groene planten boven de steegjes. Als we voor het eerst het plein op lopen denken we zo een sprookje uit 1001 nacht in te zijn gewandeld. De grote boom in het midden is met lichtjes versierd, de restaurantjes langs de ene kant zijn verlicht met kaarsen, de andere kant heeft een oude moskee en kasba en boven dat alles zie je nog net de bergen uitsteken. Jeetje.

De tweede nacht, na onze ruzie met het hotel en een snel geselecteerde vervanging (zie andere post) vinden we een pittoresk hotel met een hotelkamer helemaal bovenop het dak. Het is te bereiken via een soort klautertrap, en heeft uitzicht over de bergen en de kasba. Zo vind je ze niet in Nederland. Ook eten we ons beste Marokkaanse eten tot nu toe in Casa Hassan. Duurder dan op het plein, maar iedere dirham waard. En ach, een driegangenmenu voor 120 dirham (minder dan 12 euro), daar tekenen we altijd wel voor. In het uitermate verlopen 4-sterren hotel drinken we ook nog een biertje om het feest compleet te maken. Een alcohollicentie is zeldzaam en kost hier een astronomisch bedrag, wat je vrolijk doorberekend krijgt. Na ruim 2 weken staat de teller dan ook op 2 biertjes per persoon. Misschien zijn onze magen daarom wat van streek…

Na heerlijk te hebben rondgehangen in Chefchaouen is het tijd om weer op de fiets te springen. In twee dagen fietsen we naar Moulay Idriss, met een tussenstop iets buiten Ouezanne. Het fietsen gaat weer met veel aanmoediging van automobilisten. Het is wel jammer dat er zo veel vuil langs de weg ligt. En dat het soms in de fik is gestoken. Jezus wat een stank. Gecombineerd met de auto’s zelf die zwarte wolken uitbraken is het soms moeilijk ademhalen. En het geeft het land ook een verloederde aanblik. Helaas past dat op veel plekken ook bij de armoede die duidelijk zichtbaar is. Mensen in oude versleten kleren, minutieuze standjes langs de weg (een emmer uien) waar mensen de hele dag naast zitten en stukjes land die met ezel en houten ploeg bewerkt worden. Geen waterleidingen, maar ezels bestuurd door kinderen die karretjes met tonnen water vanuit een centraal waterpunt verspreiden. In de medina’s zie je ook wel armoede, maar die voelt toch anders aan dan zo op het platteland waar verder helemaal geen voorzieningen zijn.

Moulay Idriss is duidelijk geen platteland, maar voelt veel meer als een plattelandsdorp dan Tetouan en Chefchaouen. Misschien komt dat door minder toerisme dat in de stad zelf verblijft. De meeste toeristen doen de stad plus de romeinse resten bij Volubilis 3 km verderop als dagtrip vanuit Fez of Meknes. Er zijn dus niet echt restaurants of cafés gericht op toeristen. En dat merk je. Het is net als onderweg wat ongemakkelijk om op een terras te gaan zitten, omdat ik daar bijna altijd de enige vrouw ben. We worden altijd vriendelijk bedient, maar het voelt toch een beetje raar. Onze tactiek van een vriendelijk ‘bonjour’ werkt vrijwel altijd om een starende man langs de weg of op een terras een hartelijke glimlach en een ‘bonjour’ te ontlokken. Ze zijn gewoon verbaasd door onze verschijning. En geef ze eens ongelijk.

In Moulay Idriss vinden we een hotel met een zeer aardige dame die geen woord niet-arabisch spreekt, en die een prachtig dakterras heeft met uitzicht over de stad en Volubilis. En over de niet afgewerkte daken. Van boven hebben de huizen wel wat weg van een sloppenwijk, terwijl de binnenkant en de gevels meestal wel mooi zijn afgewerkt. De stadsgeluiden zijn ook anders dan gewend. In plaats van ambulances, trams en fietsbellen hoor je ezels balken, kinderen spelen en moskees oproepen tot het gebed. Dat laatste ook rond 5 uur ‘s ochtends, wat wij best vroeg vinden om langere tijd naar abstract gezang op vol volume te luisteren.

De geuren van de stad zijn ook uniek. Een geur waar wij ons nogal over verbazen is die van gas. Alle gastoevoer lijkt te gaan via gasflessen, die meestal via ezels de medina in worden gezeuld. Overal waar gasflessen langskomen ruik je het. Als we dat in Nederland ergens zouden ruiken dan zouden we direct de brandweer waarschuwen. Hier lijkt dat volkomen normaal. Je zou toch op zijn minst zeggen dat de geur van gas betekent dat je gas verliest en dat je daar wat aan wilt doen uit economische redenen, maar niets van dat alles. In ons hotel werden wij ons na een nauwelijks verwarmde douche bewust van een naar onze maatstaven levensgevaarlijke situatie met de geiser. Die geiser wordt voorzien van gas uit zo’n gasfles via een antieke poreuze slang. Wanneer je de warmwaterkraan open draait gaat het gas lopen in de geiser, zonder direct vlam te vatten. In het beste geval vult de geiser zich met gas tot er een kleine ontploffing plaatsvindt en het vuur en het warme water aan gaat. In de meeste gevallen waait het gas de waakvlam uit en vult de geiser zich alleen met gas. Maar het raampje staat netjes open, so what could possibly go wrong???

Dat je overal in de medina ezels ziet, hoort en ruikt verbaast ons overigens niets. In de kleine straatjes met vele trappen zijn er niet veel andere mogelijkheden om grote zware dingen te vervoeren. Dat lijkt ons nogal een gedoe bij de verbouwing, dat je ieder pallet stenen, iedere emmer verf, iedere flatscreen tv apart per ezel moet laten aanrukken. Die flatscreen overdrijven we niet. We hebben geïmproviseerde krotten gezien met een satellietschotel bovenop, en onze hoteleigenaar in Chefchaouen verwoorde de mobiele verslaving prachtig: ‘having no mobile phone is like having no feet’. Welkom in Marokko.

In Moulay Idriss checken we de moskee (waar we niet in mogen, wat ik wel begrijp maar toch jammer vind) en stappen we eindelijk in een Mercedes 240D om naar Volubilis te gaan. Daar zijn met name de ‘in situ’ mozaïeken indrukwekkend, zoals de Lonely Planet het zo mooi verwoord. Die liggen daar doodgewoon intact te zijn in al hun kleur, alsof het niets is. Daarnaast is ook de locatie mooi, met veel glooiende velden er omheen en iets verderop Moulay Idriss wit tegen de bergen aan. En het moet echt een grote stad geweest zijn, gezien wat er nog aan muurtjes overeind staat en hoeveel rijkaards er waren die zich mooie mozaïeken konden veroorloven. Leuk om doorheen te wandelen, en daarna af te ronden met een decadente lunch in het plaatselijke 4-sterren hotel.

Vanaf Volubilis is het een kort fietstochtje naar Meknes. Soms worden wij opgeschrikt door agressief blaffende honden. Een keer worden we woest achtervolgd door een hond. Hij sprint achter ons aan aan de andere kant van een heg, maar we weten allemaal dat daar binnenkort wel een gat in zal zitten. We gaan automatisch 4 keer zo hard, en Kwin gaat mannelijk tussen mij en de heg in fietsen. Dan schiet de hond grommend de heg uit de straat op. En doet vervolgens helemaal niets. Met ons hart in de keel fietsen we verder, en geeft Kwin net zo mannelijk toe dat hij dat beest ook doodeng vond.

Zodra we Meknes binnen fietsen voelen we ons thuis en op ons gemak. We gaan eerst eens rustig een drankje drinken op het grote plein, waarna Kwin op jacht gaat naar een Riad in de medina (een hotel in een meestal opgeknapt oud traditioneel huis met open binnenplaats). Hij vindt een hele mooie, met verschillende karakteristieke binnenplaatsjes met mooie tegelvloeren, bewerkte houten daken en fonteintjes. Dat hij goed centraal gelegen is, dichtbij de grote moskee, is zowel handig als luidruchtig (de oproepen tot gebed op vol volume). Het is een vrij chic exemplaar voor een Riad. Het is wel wat lastig te bepalen met hotels in Marokko hoe het precies zit met chic, en met prijs/kwaliteit verhouding. Een ding is zeker, in de afwerking zit het hem niet. In onze riad heb je bijvoorbeeld een mooi bewerkte houtlijst boven het bed, maar die is dan met een paar groffe schroeven tegen de muur gerost. De gordijnroede van een raam is er ooit afgevallen en nooit opnieuw bevestigd (ligt nog wel op de kast). De pergola op het spectaculaire dakterras begint hier en daar wat in te storten. De speciale lampen boven het bed doen het niet. Er zit geen gordijn of schermpje voor de douche of blindering voor het raam. En toch voelt het chic. Dat lijkt hem hier niet zozeer te zitten in of het warme water het wel of niet doet, maar in de inrichting van het huis en je kamer. Is dat met traditionele smaak (een vorm van extreme kitsch waar je in Nederland niet mee weg zou komen maar die hier prachtig is) ingericht en hebben de kamer en de openbare ruimtes in het hotel die typische sfeer, dan is het chic. Zo niet, dan heb je twee varianten: niet chic en poepie chic. In dat laatste geval is het westers ingericht, en hangt de daadwerkelijke luxe af van hoe lang geleden er voor het laatst iets is vervangen. Meestal zijn het fossielen uit de jaren 70 en 80. Zoals het 4-sterren ‘ho-el’ bij Volubilis (de T is ooit gesneuveld en nooit opnieuw bevestigd). In Fez hebben we nog de versie ‘gewoon onwijs chic’ gezien. Dat heette dan ook een Palais. Dat had de luxe van een up to date 5 sterren en de inrichting van een traditionele Riad. Helaas een pietsie boven budget.

De gerechten van de Marokkaanse keuken bevallen op zich goed. Er zijn 2 problemen: onze magen hebben zich ‘not amused’ verklaard, en het is nog best lastig om op toeristische plekken goede restaurants te vinden. Het dieptepunt was een tajine uit de magnetron. Nog nooit zulke taaie kip gegeten. Maar als ze goed bereid zijn, dan zijn de gerechten heerlijk. En Kwin is in de taartjeshemel. Eindelijk is hij omringd door mensen die net zoveel, en misschien zelfs nog wel meer, van zoete dingen houden als hij. In het geval van thee is dat onfortuinlijk, maar er zijn ook heerlijk gesuikerde taartjes, cakejes, broodjes, koekjes, repen en frisdrank. Kwin heeft het concept van ‘toetje’ nu ook toegevoegd aan het ontbijt en de lunch. En het vier-uurtje natuurlijk.

Wat we ook weer zien in de medina van Meknes is veel ondernemerschap in Marokko. Met name kleine eigen ondernemers. Er zijn duizenden mini-winkeltjes en stalletjes, waar de eigenaren vaak lang en tot laat open zijn en hun waar in de winkel aan het maken zijn.

Er wordt bewonderenswaardig hard en vindingrijk gewerkt. Is er regen, dan ontstaat er een stand met paraplus. Moeten er gasflessen per ezel worden vervoerd, dan worden er speciale tuigjes in elkaar gelast. Heb je geen winkelruimte, dan gebruik je een kar. Dat soort activiteit kunnen wij calvinisten wel waarderen.

We blijven een aantal dagen in Meknes. Omdat het er prettig is, er een paar mooie bezienswaardigheden zijn en omdat ik wat ziek ben geweest en even moet bijkomen voor ik weer op de fiets stap. Het leukste vinden we het grote plein, waar allerlei activiteit is. Ik heb daar zonder succes geprobeerd een kleine rubberen ring aan een hengel om een flessenhals te krijgen. Top kermis entertainment. Zorg wel dat je uit de buurt blijft van de van de pizzeria’s langs een kant van het plein, die hebben nogal agressieve proppers. Er is een prachtig terras in de hoek van het plein met een mooi en levendig uitzicht en lekkere verse jus. De mooiste bezienswaardigheid vinden we het mausoleum. Hele toffe tegelpatronen op alle oppervlaktes. Een klein nadeel is de geur: het blijkt geen goed idee om busladingen vol toeristen die de hele dag op hun sneakers langs highlights zijn gesleurd te vragen hun schoenen uit te trekken.

Uiteindelijk scheuren we ons toch los van Meknes en stappen we op de fiets richting Fez. Daar aangekomen vallen ons twee dingen direct op. 1) Fez is groter en grootser dan Meknes, en 2) we voelen ons er vrijwel direct niet thuis. Misschien een beetje door de grootte van de stad, maar voornamelijk door de oneindige stroom van hardnekkige mannetjes (zie post De mannetjesmaffia). Na een lang gevecht om zelf te kunnen bepalen waar we gingen slapen zonder extra kosten aan mannetjes kick-back, zijn we één dag de stad in gegaan en daarna snel gevlucht naar de Atlasbergen. Begrijp ons niet verkeerd. Die medina is indrukwekkend, evenals de leerlooierij, de verschillende musea en grote gebouwen en moskees. Maar als je bij het zoeken van een restaurantje vanaf 4 kanten aangevallen wordt door proppers die hun menu onder je neus duwen terwijl iemand op je arm blijft tikken om aandacht te vragen voor zijn menu, dan is de lol er snel af. We hadden wel weer een toffe riad. Kansloos kitsch en paarden op iedere centimeter (beeldjes, schilderijen, asbakken), maar weer prachtige plafonds en tegelvloeren en die traditionele sfeer die zo’n riad leuk en bijzonder maken.

De volgende stap stappen we weer op de fiets, en voelen grote opluchting op de drukke stad achter ons te laten. We zijn extra vroeg vertrokken, omdat er zo’n 1500 hoogtemeters op ons wachten. Het is wel een vrij geleidelijke steiging met weinig echt stijle stukken, maar een hele dag alleen omhoog fietsen blijft toch ietwat vermoeiend. Kwin heeft het helemaal zwaar met een protesterende maag. Zelfs van de lunch van vers stokbrood en franse kaas die we in een Marjane supermarkt vonden kan hij niet echt genieten, terwijl ik in de zevende hemel ben. Uiteraard zetten wij door, bikkels als we zijn, en we worden eerst beloond met een heerlijke hoogvlakte. Hoewel die wat betreft landschap niet heel veel verschillen van de glooiende vlaktes op lagere gronden hebben die toch altijd een speciale sfeer. En goddelijk frisse berglucht! De drukte van Fez wordt langzaam van ons afgeblazen, en verdwijnt als sneeuw voor de zon bij aankomst in Ifrane. Wat een oase van rust. De Lonely Planet slaat de spijker op zijn kop met de omschrijving dat je opeens Zwitserland binnen lijkt te fietsen. De bouwstijl is anders, de straten zijn breed, goed onderhouden (!) en schoon (!!). En bij het cafe waar we even gaan zitten uitpuffen serveren ze cappuccino. Cappuccino!!!!! Wij zijn even diep, diep gelukkig.

En dat zijn we nog steeds, onze tweede dag in Ifrane. We zijn een mooi hotel binnengelopen, zo een met een strak interieur en een harde straal warm water, en zeiden tegen het hotelpersoneel wat we al voelden zodra we het dorp binnenreden: de komende paar dagen gaan we hier niet meer weg. We hebben heerlijke pizza, hamburger en pasta gegeten bij ons favoriete cafe en hebben eindelijk zowel de tijd als de rust gehad om ons blog weer bij te werken.

We hadden niet door hoe vermoeiend fietsvakantie in Marokko kan zijn tot we Fez binnenreden en opeens het emmertje overliep. Het zijn de kleine dingen die voor onrust zorgen. De mannetjesmaffia natuurlijk, maar ook het standaard brood dat net wat minder lekker is voor de lunch, de ontbrekende prettige lunchplekken en het gevaar op woest blaffende honden. En onze magen die in vrijwel voortdurende onrust verkeren. En alle steden waar we toch wel weer van alles wilden bekijken. Van een ontspannen fietsvakantie waarbij we af en toe, als we er dan toch waren, iets gingen bekijken zijn we opeens op intensieve stedentrip waarbij we het reizen tussen de steden toevallig per fiets doen. But no more! Nu zijn we lekker in de bergen, en hebben we besloten dat Marrakesch onze fiets-eindbestemming is. Daar gaan we lekker met Kwins ouders een weekje zitten en rondrijden. In een AUTO ja. En als we daarna zin hebben om een week in een resort aan de kust te gaan zitten, dan zo geschiedde.

Op naar Marrakesch!

 

 

This entry was posted in Fietsen, Marokko. Bookmark the permalink.

2 Responses to Acclimatiseren in chaotisch sprookjesland

  1. leon rvr says:

    Blijven jullie daar nog een tijdje rondreizen? Zo te zien hebben jullie het erg naar je zin (op de Maffia na dan 🙂 Het blijft leuk om jullie verhalen te lezen.

  2. Merlijn says:

    Wederom een erg leuk stuk om te lezen echter mis ik wel het stukje onder welk type toerist jullie nu vallen? Veel succes in de verdere reis door Marokko, ik hoop dat je de mannetjes een beetje kunt negeren want het ziet er fantastisch uit!

Comments are closed.