Hoge punten Bolivia

Wanneer we het personeel hebben gevonden begint onze eerste grensovergang met de Ford. Best wel spannend, zeker met het spookstad-achtige karakter van het dorpje en de grens. De manier waarop de medewerkers te voorschijn komen en weer verdwijnen uit woonkamerachtige ruimtes doet ons vermoeden dat ze hier per roulatie steeds een tijd werken en wonen voordat ze mogen terugkeren naar de bewoonde wereld. Mooie omgeving hoor, maar toch liever zij dan wij.

Om Chili te verlaten moet Kwin de padrón (eigendomsbewijs), zijn RUT (Chileens persoonsnummer) en paspoort overleggen. Tot onze grote opluchting hebben ze niet onze Permiso de Circulacion nodig, waarop een foutje staat. We krijgen een handgeschreven formulier mee dat ons de tijdelijke export uit Chili en import in Bolivia toestaat. Dat wordt uiteraard nog een paar keer gestempeld. We mogen nu zes maanden uit Chili wegblijven, al is het niet helemaal duidelijk wat er gebeurt als we na 6 maanden niet terugkomen.

Na deze stop bij de Aduana gaan we verder naar de Imigracion om ook zelf het land uit te mogen. We moeten een paar keer op het raam kloppen voordat er een medewerker te voorschijn komt. We leveren het briefje in van onze aankomst in Chili en klaar is kees. Het blijft een mysterieus proces, die briefjes. Bij aankomst vul je een kaart in met je persoonsgegevens, waarvan je het onderste strookje mee krijgt voor in je paspoort. Dat briefje moet je inleveren wanneer je het land verlaat, en zonder dat stukje papier kom je niet zomaar het land uit. Dat stukje proces is duidelijk, maar wat gebeurt er achter de schermen? Gaan ze echt al die handgeschreven briefjes allemaal verwerken in een of ander systeem? Weet ‘de overheid’ nu dat wij het land verlaten hebben?

Nadenkend over dit raadsel rijden we verder naar de Boliviaanse kant van de grens. Dit is het echt spannende gedeelte. Landen doen er zelden moeilijk over dat je weggaat, binnenkomen is een grotere uitdaging. We lopen een kantoor binnen dat er wel officieel uitziet. Die verwijzen ons door naar een tweede kantoor aan de andere kant van de weg. Daar moeten we onze auto laten inschrijven in hun computersysteem. Met de uitdraai daarvan mogen we verder naar deur nummer drie voor het invullen van een nieuwe entreekaart en een mooi nieuw stempel in ons paspoort. Vervolgens is het weer terug naar kantoor nummer 1, waar onze invoeruitdraai (je raadt het al) gestempeld wordt. Hetzelfde lot wacht ons formulier van de Chileense grens.

En dat is het. Ons eerste autopaspoort is binnen. We hebben niet eens een aparte verzekering nodig voor dit land. De hele procedure kostte wat tijd, maar in totaal minder dan twee uur en het was bij lange na niet zo pijnlijk als sommige medereizigers ons hadden doen vermoeden. We zetten in uitstekend humeur onze prachtige tocht voort.

Deze rit behoort zeker tot de hoogtepunten van onze reis tot nu toe (en we zitten op moment van schrijven stiekem al in Mexico). Wat een overdonderend landschap. We overwegen even om wild te kamperen naast een prachtige rotsformatie op een hoogvlakte, maar besluiten toch door te rijden naar een dorpje. Het eerste plaatsje met een hotel ligt dichtbij de zoutvlakte van Uyuni, heeft een prachtige kerk en toch zeker wel drie straten. We mogen achter het hotel kamperen en voor een opvallend laag bedrag ook even douchen. Bolivia is na het Europees geprijsde Chili surrealistisch goedkoop. Vinden we niet erg.

Behalve het indrukwekkende natuurschoon vallen ook de rode pick-ups nog steeds op. Sinds de kust in Chili is zo’n 1 op de 6 auto’s een rode pick-up. Met gele reflectorstrepen en een grote antenne als een boog vastgebonden in de laadbak. Onze theorie is dat dit auto’s zijn van de mijnen die in deze omgeving zitten, en dat werkelijk iedereen daar werkt en een bedrijfsauto heeft. Zijn nog nooit ergens geweest waar één type auto zo overheersend is. We vermaken ons al dagenlang kostelijk met het om de minuut in serieuze verbazing uitroepen van allerlei variaties op ‘Nou ja, kijk eens! Een rode pick-up!’ Tja, je had erbij moeten zijn.

We kunnen helaas nog geen goedkope benzine tanken omdat we nog geen Bolivianos gepind hebben. Omdat we al vrij dichtbij Uyuni zijn is dat niet echt een probleem. We hebben in Calama een extra benzinetankje gekocht en gevuld voor de zekerheid, omdat we niet zeker wisten of onze zuiplap het op één tank zou redden. Was achteraf gezien niet nodig geweest, en het tankje blijkt nogal een handvol. Het staat in de weg en is niet goed bestand tegen de grote hoogteverschillen op de route. Hij zet steeds zo uit dat hij rond wordt en een klein beetje lekt. Met als gevolg dat wij de route gedeeltelijk high van de benzinedamp hebben afgelegd. Misschien dat we deze route daarom zo mooi vinden. Maar geen ideale aanschaf dus, al was het prettig te weten dat we niet op 4000 meter hoogte de ANWB zouden hoeven te bellen voor een extra slokje brandstof.

De volgende dag rijden we met onze laatste benzine naar Uyuni. Dat plaatsje stelt niet zoveel voor. Paar straten, paar toeristen. We lunchen wat in het centrum en drinken een slecht kopje koffie met melkvellen. Wel bijzonder huiselijk. Na het bestellen van de koffie loopt de mevrouw naar de keuken en zet twee pannetjes met water en melk op het fornuis. Net als thuis dus, behalve dat we daar een koffiemachine met melkschuimer hebben staan…

We laten de auto wassen en van onder met olie bespuiten, als bescherming tegen het zout van Salar de Uyuni. Verder tikken we een converterstekker op de kop voor het vrolijke bedrag van 50 cent. Ook vinden we een werkende pinautomaat en een hotel. Daar mogen we op de parkeerplaats kamperen, die ook dienst doet als wasruimte en garage. Er moeten eerst twee auto’s uit voordat we erin kunnen, en daarna blokkeren die auto’s onze uitgang weer. Zij moeten morgenochtend vroeg weg, waarschijnlijk om toeristen de zoutvlakte op te brengen.

En zo geschiedde de volgende ochtend. Helaas komen al die auto’s twee uur later weer terug, nog voordat wij goed en wel zijn opgestaan. Ze beginnen onmiddellijk hun auto’s te ontmantelen en onderhoudswerk te doen. We zijn nog net op tijd met melden dat we er zo toch echt uit moeten (zoals we de vorige avond hebben afgesproken) voordat ze de wielen er afgeschroefd hebben. Dan zijn we ontsnapt en gaan we vol verwachting op weg naar de zoutvlakte.

We hebben van andere reizigers al wat spectaculaire foto’s gezien, en zien er al weken naar uit om ons busje zomaar op die grote vlakte te parkeren, de tuinstoelen ernaast te zetten en met een biertje te genieten van de zonsondergang. We zijn ook gewaarschuwd voor de onwaarschijnlijk slechte weg naar de ingang van de vlakte. Daar blijkt geen woord van gelogen, we stuiteren ruim een uur over de alle slechtste ‘weg’ ooit. Eén groot wasbord met gaten en stenen. Maar dan zijn we er eindelijk: de Salar de Uyuni.

En hij staat onder water tot zover het oog reikt. Well crap. Nu is het een groot meer in plaats van een grote witte vlakte. De omgeving is wat exotischer dan het IJsselmeer, maar daar is het meeste dan wel mee gezegd. We zien verschillende 4×4 auto’s het meer in rijden. Het lijkt een goede 50 cm diep te zijn. Met pijn in ons hart besluiten we dat het misschien niet zo’n puik plan is om daar met onze 3-tonner met tweewielaandrijving achteraan te gaan. We maken wat foto’s en keren om voor weer een uur stuiteren. We proberen nog of we kunnen slapen bij het Hotel del Sal. Dat staat naast de zoutvlakte, en misschien kunnen we dan vanmiddag nog een tour doen met een 4×4. Het hotel ziet er cool uit, met een vloer en meubels van zout, maar ze hebben geen tour meer voor die middag. En we mogen daar alleen staan als we er een maaltijd nuttigen en we mogen geen gebruik maken van de voorzieningen. Dat aantrekkelijke aanbod slaan we af, en we trillen terug naar Uyuni.

Daar vragen we nog een touroperator, en die vertelt ons gelukkig eerlijk dat niet alleen het begin, maar de hele Salar onder water staat. Zoals meestal in het regenseizoen. Regenseizoen?!? Net eindeloos door woestijngebied gereden, we hadden niet durven bevroeden dat er hier sprake zou kunnen zijn van een regenseizoen. Kwestie van slechte (geen) planning dus. Nou ja, jammer dan. We vinden het een stuk makkelijker om het naast ons neer te leggen nu we weten dat het ook met een Toyota Landcruiser (waar Kwin nog steeds heimelijk verliefd op is) niet gekund had. We komen er nog wel een keer voor terug.

We gaan weer onderweg, met als eindbestemming Potosi. We hebben absoluut nul verwachtingen van deze plek. Nog nooit van gehoord en niets over gelezen. Blijkt het zomaar de hoogste stad (met meer dan x inwoners) ter wereld te zijn. Zozo! Je maakt nog eens wat mee. De stad zelf heeft ook een leuk centrumpje met wat mooie pleintjes en gebouwen en kerken. De koffie is niet geweldig en het chocoladetaartje dat Kwin bestelt blijkt toch niet beschikbaar, maar er heerst zo’n gezellige sfeer dat we Potosi deze kleine gebreken vergeven. Ook archiveren we het onwaarschijnlijk lelijke en grote standbeeld van een voetballer aan het begin van de stad onder ‘grappige lokale afwijking’. Voetbal lijkt nogal een ding te zijn hier. Overal wel eigenlijk.

We mogen kamperen op het binnenhof/parkeerplaats van een hotel. Dat hebben we gevonden dankzij de coördinaten die andere reizigers online hebben gezet. Bijzonder handig, want de komende tijd is het afgelopen met de campingpret. Tot Mexico hebben de landen bijna geen campings. Dan is het echt erg prettig om een adres te hebben van een hotel waarvan je weet dat ze wel vaker rare kampeerbusjes hebben gezien en toegelaten. Want erg makkelijk legt het niet uit in gebroken Spaans dat je graag wilt parkeren bij het hotel, geen kamer nodig hebt maar wel gebruik wilt maken van een toilet en bij voorkeur ook douche. Als ze de woorden al verstaan begrijpen ze het concept vaak niet, en zien we veel lege blikken aan de andere kant van de balie.

De volgende dag rijden we een stukje verder naar Ojo del Inca. Dit is een thermisch kratermeertje iets boven Potosi waar je kunt picknicken en kamperen. Het uitzicht is spectaculair. Terwijl je rustig dobbert in 30 graden kijk je door wat riet uit over de vallei en de bergen in de omgeving. Het toilethokje staat in schril contrast met zijn omgeving. Dit zijn werkelijk de meest ranzige WC’s die we de afgelopen maanden zijn tegengekomen. Jammer, anders was het er perfect geweest. Er staat een Nederlands stel al een paar dagen daar te genieten, maar die hebben dan ook een eigen mini-badkamertje in hun Landcruiser met camperopbouw. We wisselen wat informatie uit (nou ja, wij kopiëren wat informatie van hen, zij zijn duidelijk beter voorbereid), douchen in het kratermeer en stappen de volgende dag weer in de auto.

Voor deze etappe staat La Paz op het programma. Een aardig eind rijden, dus we gaan op tijd op stap. Er zijn veel werkzaamheden langs de weg, en we zien met enige jaloezie dat reizigers na ons over enige tijd kunnen genieten van een 4-baansweg. Wij doen het nog met 2 banen en veel desvios. Bijzonder spijtig, want er zijn nogal wat langzame colectivos (kleine openbaar vervoer busjes) die allemaal ingehaald moeten worden. De locals doen dit op de standaard Zuid-Amerikaanse manier: met veel ongeduld, hard getoeter en een vleugje doodswens.

We zijn wel te spreken over het feit dat ze op zo veel plaatsen aan de weg aan het werk zijn. Een goed teken voor een verder nogal arm land. Die armoede weerhoudt ze er overigens niet van in grote onzuinige auto’s rond te rijden, want de benzine is hier voor locals bizar goedkoop. Zo’n 30 eurocent per liter. Met dank aan de huidige president, die met dit subsidiebeleid op benzine zijn verkiezing en herverkiezing heeft binnengehaald. Hij staat ook overal langs de weg op posters met slogans over lang leve Bolivia en haar goede wegen. De benzine is voor buitenlanders duurder. Officieel een schokkende 90 cent per liter, al geven de meeste tankstationhouders (en buitenlandse tankers) er de voorkeur aan om het ‘sin boleta’ te doen en een prijs tussen de 30 en 90 cent te onderhandelen. Steken zij het verschil in hun zak, en heeft de reiziger er ook voordeel aan.

Rond de lunch komen we langs Oruro, en eten we er allebei een vol bord kip, rijst en frietjes. Kosten lunch inclusief grote fles frisdrank: 5 euro. Goede deal dus. De gemiste afwezige is de groente. Aardappelen lijken hier onder die categorie te vallen, met zowel rijst als aardappels in een plato. Zouden ze best eens gelijk in kunnen hebben, maar voor een beetje Nederlander is een maaltijd natuurlijk niet compleet zonder zowel Aardappels, Groente als Vlees.

We gaan verder richting La Paz. De rit is weer prachtig. We rijden over hoogvlaktes omringd door indrukwekkende bergen en doorsneden door kabbelende riviertjes. Na al het moois van de afgelopen tijd komt het bijna niet meer binnen. Het intense gevoel van ontzag dat we voelden bij eerdere hoogstandjes van de natuur wil even niet meer terugkomen. Zouden we verzadigd zijn met mooie dingen?

Nee, alleen een beetje verwend, blijkt aan het eind van de middag. We kiezen een kleinere weg om niet door het centrum van La Paz te hoeven om bij ons hotel te komen. Deze route gaat door een vallei, en het is een sprookjesachtige ervaring. Van een afstandje lijkt het net een Efteling plaatje, met hoge gatenkaas rotsen, blauwe meertjes en pittoreske dorpjes. Aan de andere kant van de vallei ligt onze bestemming: Hotel Oberland.

Dit hotel heeft een Zwitserse eigenaar, en dat zie je duidelijk in de inrichting van het restaurant. Mocht je dan nog twijfels hebben, dan verdwijnen die abrupt na een blik op de kaart (kaasfondue, raclette). We hebben net een grote lunch gehad, dus we kunnen ons nog net beheersen om een grote kaasmaaltijd te bestellen. Wij kijken wel wat jaloers over ons soepje naar de kaas fonduende mensen.

Het hotel beschikt, zoals de naam al doet vermoeden, ook over een staplaats voor ‘oberlanders’. Dit lijkt de geuzennaam te zijn voor mensen die per auto door de Amerikaanse continenten reizen. Er staan al een aantal van dit soort figuren op de parkeerplaats. Er zijn grofweg twee categorieën: vage hippies in geragde Volkswagenbusjes en gepensioneerde full-time reizigers met gelikte apparatuur en ditto voorbereiding. (Uiteraard passen wij, uniek als we zijn, niet in een van de hoofdcategorieën.) Welk type dan ook, voor iedereen is het goed toeven bij dit hotel, met nette voorzieningen, elektriciteit en wifi.

De volgende twee dagen staat La Paz op het programma. We pakken een minibus heen, en komen zo’n 200 haarspeldbochten en wat serieus verkeer later aan in het centrum vanuit onze lager gelegen suburb. Een erg bijzondere stad! Het centrum is gebouwd in een vrij smalle vallei tussen twee steile heuvels, en toen die vol was zijn de huizen steeds verder die heuvels op gekropen. Ondertussen is het een miljoenenstad die over vele heuvels en valleien gedrapeerd ligt. Het is ook opvallend modern, gezien de ernstige armoede die in de rest van het land heerst. Er zijn grote winkelketens en supermarkten, en we vinden na een misser ook een goed koffietentje. Met wifi. Twee verslavingen in een klap. We komen daar ook een ander Nederlands stel tegen. Toeval?

We wandelen wat door de stad, en lopen tegen een oud klooster/museum aan. Het is wel een mooi gebouw dus gaan we naar binnen. Het wordt een prachtige tijd. De kunst is niet heel bijzonder, maar we krijgen er gratis een gids bij. Deze jongedame is helemaal nerveus omdat het de eerste keer is dat ze de tour in het Engels doet. En ze legt werkelijk ieder detail van ieder lelijk schilderij uit. Dat brengt ze daadwerkelijk tot leven, en we vermaken ons kostelijk met onze gids en het uitwisselen van taaltips. Op de tweede verdieping wonen nog Franciscaanse monniken, al weten ze niet precies hoeveel. Die schijnen te komen en te gaan. Via wat kleine stenen trappetjes kunnen we het dak op, met een mooi uitzicht over de stad.

Met een brede grijns verlaten we het museum, en ontdekken in de straten daarachter een hele wijk vol superkleine autowinkeltjes. Het is ook nog opgedeeld per straat of blok welke onderdelen precies verkocht worden. Kwin is in het kinderspeelparadijs. Er zijn allemaal dingen zomaar te koop die je in Nederland alleen (duur) via de garage kunt krijgen. We kopen een paar reserve onderdelen voor ons busje en vergapen ons aan al die mooie mechanische hoogstandjes in de vitrines.

Dan is het hoog tijd voor het avondeten. We lopen over de hoofdstraat, en vinden een restaurant met een zodanig foute inrichting dat het weer cool is. Er is veel rood, onder andere in de vorm van hartjesballonnen. Er is een wand met gigantische fonteinvijver inclusief nepplanten. Er zijn doorzichtige tafels met stenen en schelpen onder het glas. Dit is te veel voor ons om te weerstaan en we schuiven enthousiast aan. Het eten blijkt ook goed binnen te houden, en we weten eigenlijk al dat we ook morgen deze stijlloosheid niet zullen kunnen weerstaan.

Op de terugweg kunnen we geen bus vinden die teruggaat naar onze buitenwijk, en uiteindelijk nemen we een taxi. Kost wel 30 hele Bolivianos, zo’n 3 euro. Voor een rit van bijna een half uur. Mooi toch? De bus is wel veel goedkoper hoor, dat kost maar 50 cent voor diezelfde afstand.

Onze tweede dag in La Paz komen we goed uitgeslapen wat later aan in het centrum. Daar nestel ik mij in ons favoriete café om wat te bloggen terwijl Kwin weer de autowijk in trekt om nog wat dingen aan te schaffen. Zoals voorspeld eten we wederom een prima maaltijd in stijl, waarna we wederom geen busje kunnen vinden voor de terugweg. Dit keer blijkt een taxi wat lastiger. Ze vragen deze avond twee keer zo veel als gister. Nog steeds niet veel natuurlijk, maar het is onze eer te na om ons zo bewust te laten oplichten. Na een half uur staan we nog steeds met vele andere forensen bij een kruispunt te wachten op een geschikte bus of taxi.

Een mevrouw hoort wat een taxichauffeur tegen ons zegt, en ze drukt ons op het hart dat het echt niet meer dan 30 zou moeten kosten. Ze vraagt het nog voor ons bij een andere taxi, zonder succes. Even laten wordt zij opgehaald door haar vriend. Ze is al ingestapt, maar komt dan naar ons terug en zegt dat we mogen meerijden voor 30 Bolivianos. Zij gaan toevallig dezelfde kant op. We stappen in, en beleven een mooie rit die een grote oefening spreekvaardigheid Spaans blijkt. Ze zijn onder de indruk van onze reis, en wanneer ze ons voor ons hotel afzetten hoeven we niet meer te betalen. Wat een aardige mensen!

Na drie goede nachten in Hotel Oberland trekken we verder richting Copacabana en het Titikaka meer. Fase 1: de stad uit. Hiervoor moeten we door het centrum, en we raken een keer niet zozeer de weg kwijt als dat hij te steil wordt. Daar gaat onze poging om zo snel mogelijk via wat kleinere wegen de stad uit te gaan. Om met een stijgingspercentage van niet meer dan 20 de stad uit te komen zal je toch echt de drukke hoofdweg moeten nemen. Het lukt, en we worden beloond met een prachtig bovenaanzicht van La Paz.

In een buitenwijk van de stad vinden we een pinapparaat en vragen we bij verschillende garages en winkels of ze toevallig een vierkante schroevendraaier hebben. Nee, niet die stervormige dingen. Vierkant. Daar hebben ze nou nog nooit van gehoord. Wij ook niet, tot voor kort. Nou ja, ik niet, Kwin wist te vertellen dat de Canadezen hun eigen schroef hebben. En omdat ons busje in Canada is ingebouwd, zit alles vast met schroeven met een vierkante sleuf. Hoewel de Canadezen heel trots zijn hun eigen schroef te hebben, is het niet bijzonder praktisch bij geëxporteerde producten. We hebben het nu nodig omdat het achterlicht bij het dak is gaan lekken. Een kwestie van even openschroeven, wat kit spuiten en weer dichtdraaien…

Uiteindelijk besluiten we er een proberen te maken. We stoppen bij een garage en werkplaats, en leggen wederom ons dilemma uit. Nou, veel interessanter hadden we het niet kunnen maken. Een buitenlandse auto, een blonde vrouw die in gebrekkig Spaans iets technisch staat uit te leggen en dan ook nog een bizarre schroef die ze nog nooit hebben gezien. Het duurt niet lang of de hele straat staat om onze auto heen, en allemaal willen ze even op de bumper staan om die rare schroef te bewonderen. Liefst met vijf tegelijk. Lastig hoor, als mensen je echt oprecht proberen te helpen maar ondertussen om en op je auto staan op een manier die je toch niet echt kunt waarderen.

Uiteindelijk lukt het met veel bijslijpen om van een gewone schroevendraaier een min of meer vierkante te maken in min of meer de goede maat. Het hele dorp helpt om die paar schroeven van ons achterlicht los te krijgen, en men schreeuwt enthousiaste triomf wanneer er weer eentje gelukt is. Na enige tijd en vele vieze vingers op en in onze auto hebben we het achterlicht eraf. We bedanken iedereen hartelijk, geven ze een tip die ze eerst niet willen aannemen en zijn blij weer verder te kunnen rijden. Dat achterlicht maken we vanavond wel weer (water)dicht. Uiteraard gaat het niet veel later regenen.

Onderweg rijden we om voor het checken van wat oude meuk bij Tiwanaku. Er zijn resten van de beschaving van vóór de Inca’s. Die konden daar goed leven door indrukwekkend goed gebruik van de omgeving. Met slimme irrigatiekanalen konden ze gewassen verbouwen. Doordat de kanalen overdag de hitte van de zon opnamen en die warmte ’s nachts weer afgaven hadden ze minder last van vorst in de gewassen. En vervolgens gingen ze die kanalen ook gebruiken voor het kweken van vis. Die konden ze opeten, en door de uitwerpselen van die vissen in het dreg van de kanalen kon dat dan weer gebruikt worden als mest voor de gewassen. In een recent onderzoek is gebleken dat deze methode meer productie oplevert dan veel moderne technieken, met name door het succesvol tegengaan van vorst. Gaaf hè! Die indianen, die wisten wel waar ze mee bezig waren. Al deden ze dan ook weer aan mensenoffers enzo, maar goed, je kunt niet alles hebben. (Deze paragraaf is mede tot stand gekomen dankzij Wikipedia.)

De ruïnes zijn wel aardig. Van het meeste is niet veel overgebleven. Er is een kuil met een paar beelden en allemaal hoofden in de stenen muur die indrukwekkend is, en op het terrein staan hier en daar standbeelden met mooie inscripties. In het museum staat welgeteld één artikel, namelijk een grote versie van zo’n standbeeld. Al met al een interessante stop, waarna we snel weer verder gaan richting het Titikaka meer.

Om in Copacabana te komen moeten we een rivier oversteken. De beschikbare middelen: een soort grote vlotten zonder reling met een planken bodem met grote spleten en een buitenboordmotor. Ze heten ‘veerboot’. Er passen ongeveer twee auto’s per boot. Gelukkig zien we net voor ons een met stenen beladen loeizware vrachtwagen zonder blikken of blozen de planken op rijden. Het kan dus. Vol spanning rijden ook wij ons geliefde busje de boot op, en kunnen vervolgens genieten van een mooi uitzicht vanaf het water. Het water is vrij rustig, en we komen zonder problemen aan de overkant.

Het is ondertussen donker geworden en gaan regenen, maar dan komen we eindelijk aan bij Copacabana. Er is een politiepost voor het dorp. Omdat het regent moet Kwin even naar binnen het kantoortje in. Hier denkt hij de agent te slim af te zijn. Hij krijgt ongelijk.

  • Agent: Cinco.
  • Kwin: (in alle onschuld) Que cinco?
  • Agent: Cinco Bolivianos.
  • Kwin: (listig) Tiene un boleto? (Bonnetjes worden doorgaans alleen uitgeschreven voor officiële, niet illegale kosten.)
  • Agent: No problema!

En hij loopt naar zijn bureau, pakt een dik stapel officieel uitziende bonnetjes voor ‘registrado’ en zegt ’20 Bolivianos por favor’. D’oh! Kwin schiet in de lach en de agent kan er ook wel om grijnzen. Hij zegt dat hij daarom slechts vijf vraagt zonder bonnetje. Nog steeds dubieus natuurlijk, maar Kwin vindt dat de agent eerlijk gewonnen heeft en betaalt hem 5 Bolivianos.

We vinden een hotel aan de waterkant waar we op de binnenplaats/parkeerplaats mogen staan. We lopen het dorp in en vinden het opvallend hoe weinig er is. Was dit niet een toeristische plek? We vinden wel een rastahippie die een pizzatent runt. Om mysterieuze redenen staan er boxen naar buiten gericht met knalharde muziek, een gewoonte van restaurants en winkels die ons al vaker is opgevallen. Gelukkig staat het volume binnen aanzienlijk zachter (niet altijd het geval). Misschien is het idee dat het geluidsvolume buiten zo pijnlijk is dat je snel naar binnen vlucht en daar dan ook maar wat bestelt. De pizza is prima, en daarna gaan we snel slapen na een lange dag.

De volgende ochtend besluiten we om een dagje reisvrij te nemen, oftewel ons niet te verplaatsen en geen dingen te bezichtigen. Lekker ontspannen, hoewel het meestal ook betekent dat we ons busje onderhouden en andere huishoudelijke taken uitvoeren. We kopen een kaartje voor de volgende dag om per boot naar het Isla del Sol te gaan om daar te wandelen. We komen er achter dat het inderdaad een toeristisch dorp is, maar dat dit zich grotendeels beperkt tot één bizar toeristische straat.

Daar gaan we uiteraard op jacht naar een goed kopje koffie. De tweede poging is redelijk geslaagd, en we genieten vooral van het schouwspel van kinderen die elkaar enthousiast met waterpistolen achtervolgen. Schijnt een pre-carnavalstraditie te zijn. We eten ’s avonds wel aardig, met als catastrofale afsluiter een panqueque chocolata voor Kwin. Het is een oeroude pannenkoek uit zo’n voorgebakken pak dat slecht is opgewarmd en met vieze chocoladesaus overgoten. Het was zo ernstig dat Kwin hem niet eens heeft opgegeten. We gaan snel naar huis om de smaak met een kopje thee weg te spoelen en op stok te gaan: morgen weer vroeg dag.

De boot naar Isla del Sol vertrekt, net als iedere toeristentour ooit, muy muy temprano. De mannetjes van de boot komen aanlopen met een zakje olie, om mengsmering te maken van hun benzine voor de kleine buitenboordmotors. Nu begrijpen we ook waarom die boottocht zo lang duurt. In het begin is het nog mistig en valt er niet zo veel te zien. Langzamerhand klaart het echt op, en krijgen we mooie doorkijkjes te zien van het Titikakameer en haar eilandjes. De Isla del Sol en Isla de la Luna zijn belangrijk voor de Maya’s (of waren het nou de Inca’s?), volgens de legendes is daar hun geloof ontstaan.

Aangekomen op het zonne-eiland beginnen we met onze wandeling naar de andere kant van het eiland, waar we weer de boot terug nemen. Aan het begin van het pad staat er een local met een bonnenboekje. Wat zullen die goede zaken doen, de bedrijven die bonnenboekjes leveren aan Bolivia. We zijn wat sceptisch, maar het lijkt een ‘officiële’ betaalpost voor het passeren van het noorden van het eiland. Weten we meteen dat ons ook in het zuiden nog wat te wachten staat. We betalen en wandelen verder. Het is een mooi pad, hier en daar langs wat huizen en steeds met mooi uitzicht over het meer. Opvallend is dat vrijwel ieder stukje heuvel, hoe schuin ook, gecultiveerd is in terrassen voor landbouw. Het geeft de omgeving een grappig accent, met al die groene lijnen.

Helemaal in het noorden van het eiland staan nog wat oude resten. Een soort offertafel in een verder leeg veld, en een heel gaaf doolhof aan huizen en steegjes iets verderop. We lunchen een broodje pindakaas aan de offertafel in het doolhof en genieten van het uitzicht. Dan beginnen we aan onze tocht naar het zuiden. Het is lekker om weer even de benen te strekken. Zo met de auto bewegen we toch aanzienlijk minder dan tijdens onze fietsreis…

Midden op het eiland, midden in een weiland, bovenop een heuvel staan opeens weer twee vrouwtjes met bonnetjesboekjes. De wandelaar voor ons heeft een probleem: doordat de ‘touroperator’ die de bootjes regelt niet heeft vermeld dat je op het eiland ook nog van alles moet betalen, heeft hij net niet genoeg geld bij zich voor het ticket voor het zuiden van het eiland. Uiteindelijk laten ze hem door met een korting van vijf cent. Ook wij schaffen met gemengde gevoelens een bonnetje per persoon aan. Er is sprake van enige irritatie over de manier van tolheffing: als ze ons van te voren hadden gemeld dat de wandeling geld kost dan hadden we onze schouders opgehaald. Ach, het is goed dat die mensen hier ook iets aan het toerisme verdienen en uiteindelijk gaat het om een bedrag van niets. Maar om het zo te doen, onaangekondigd en in verschillende delen, dat riekt toch naar afzetterij. Al helemaal wanneer we tegen het eind van de route post nummer drie tegenkomen. We informeren beheerst of dit onderdeel van het eiland toevallig niet onder het ‘zuiden’ valt, en inderdaad, dit is de heffing voor toegang tot deze specifieke gemeente van het eiland. *zucht*

Tijdens een pauze voor het eten van een snack, drinken van water en bewonderen van het prachtige uitzicht komen we een Amerikaan tegen. We lopen een stukje met hem op, en hij blijkt een verstokte reiziger: zodra hij ergens langer is dan een paar maanden dan krijgt hij jeuk en moet hij weer verder. Zo zie je wel veel van de wereld, maar het lijkt mij persoonlijk een onrustig en saai bestaan. Niet dat reizen saai is, maar de levensstijl is wel wat eentonig. Zeker prettig, de voortdurende jacht naar een goed kopje koffie. Absoluut prachtig, al die andere culturen en mensen en omgevingen. Maar als je de sleur van thuis probeert te ontvluchten krijg je er gewoon een ander type sleur voor terug.

Ik kan me zeker voorstellen dat mensen de reis-sleur aangenamer vinden, maar als je langer op een plek blijft dan weet je al waar je goede koffie kunt halen en kan je verder met andere belangrijke zaken. En ja, je bouwt met reizen ook wat op in de vorm van ervaringen en herinneringen, misschien hier en daar wat levenswijsheid, maar om voor mij onverklaarbare redenen voelt dat voor mij niet als volledig. In alle pracht en praal van het cultuurschoon en de luxe van lang leven de lol mis ik de mensen van thuis, mijn interessante kantoorbestaan, het ‘behalen van resultaten’. En bedankt, Calvijn.

Maar geen zorgen: voorlopig lukt het ons nog uitstekend om ons bestaan zin te geven door bijvoorbeeld het genieten van een glaasje fris aan het eind van onze wandeling op een mooi terrasje met uitzicht. Terwijl we daar zitten te ontspannen vragen andere wandelaars die we eerder zijn tegengekomen of we niet die boot van over een paar minuten wilden halen. Oh crap! Helemaal de tijd vergeten. We begrijpen er niets van. Er lijkt iets aan de hand te zijn met een uur tijdsverschil, want onze telefoons vinden dat we nog ruim een uur hebben. Maar we zetten er stevig de pas in, en komen erachter dat we nog minder dicht bij de haven waren dan we dachten. De baai met de haven is prachtig, met een lange stenen trap die naar de kust afdaalt met een klein watervalletje ernaast.

Beneden aangekomen is het wat onduidelijk of we nu onze boot gemist hebben of niet, maar na een klein kwartiertje wachten blijkt er toch een boot te zijn waar we met onze tickets op mogen. In scherp contrast met die ochtend is het nu warm en zonnig, en we kunnen op het dak van de boot zitten. Het is een relaxed boottochtje over het Titikakameer. Zo zonder mist is het meer nog veel mooier. Ook een bijzonder gezicht is de jongen naast ons die werkelijk sprekend op een jonge Sylvester Stallone lijkt. Hij gaat er ook helemaal voor, met bijpassende bril en kapsel.

We komen terug in Copacabana, nemen een douche en vinden vervolgens het restaurant waar we eigenlijk iedere dag hadden moeten eten. Met lekkere jazz op de achtergrond, een vriendelijke eigenaar en ober en heerlijk eten beleven we een zeer aangename avond.

De volgende ochtend is het dan eindelijk zo ver: we gaan onze auto laten zegenen namens een heilige maagd. Het is een heel circus voor de mooie witte kerk. Lang voordat de ochtendzegening start staan er al verschillende rijen auto’s te wachten (wat nou tweerichtingsverkeer), en mensen gaan helemaal los. Het staat er vol met stalletjes die dingen verkopen waarmee je je auto kunt versieren. Bloemstukken, bloemblaadjes, slingers, gouden hoedjes, the works. Het is een hele familieactiviteit, iedereen is enthousiast de auto aan het behangen. Hoe langer er gewacht moet worden, hoe extravaganter de versieringen worden. Er zijn ook flessen nepchampagne die je kunt kopen om na de zegening over je auto te spuiten.

Het is tijd, en er komen verschillende priesters in bruine gewaden en baseball caps naar buiten. Ze hebben een emmertje water en sjieke pleeborstel bij zich. We komen er te laat achter dat je een extra uitgebreide zegening krijgt als je een kaartje hebt gekocht. Met dat ticket worden ook je motor en interieur apart gezegend. Omdat dit het besprenkelen met water inhoudt vinden we het niet zo erg dat wij slechts het basispakket hebben, zitten we straks ook nog droog op onze stoelen. De priester zegt per auto een gebedje bij de voorkant, en loopt al zwiepend met borstel en water een rondje om de auto. Een heel apart ritueel, des te vreemder omdat het voor iedereen zo duidelijk een bloedserieuze aangelegenheid is. We worden toch wat meegesleept door de plechtige sfeer.

Die wordt even later abrupt afgebroken door de politieagenten die het verkeer met veel gefluit en druk gezwaai weer op gang proberen te brengen. De stoet versierde en met water en nepchampagne besproeide auto’s rijdt tevreden het dorp uit.

Bij het verlaten van het dorp is een ondernemende ziel gaan staan met een bonnenboekje. Helaas staat er op het bonnetje een of andere bezienswaardigheid die wij niet hebben bezocht of willen gaan bezoeken, en we delen de beste man mee dat we hem vriendelijk bedanken voor de bijdrage. Hij gebaart nog even dat we dan het dorp niet uit mogen, maar we rijden toch maar door. We worden niet achtervolgt door wie of wat dan ook, dus we nemen aan dat we de situatie correct hebben ingeschat: leuk geprobeerd, maar niet legaal.

Het is maar een korte rit naar de grens. Aan de Boliviaanse kant krijgen we nog wat stempels, en wanneer we door willen rijden zegt de agent dat we een stempel missen. Gezien de hoeveelheid stempels die we al hebben lijkt ons dat onwaarschijnlijk, maar er blijkt toch nog een kantoortje te zijn. Een aardige vent, die ons zonder problemen het ontbrekende stempel geeft. Hij vraagt vervolgens wel om een biertje. Ach, voor zover verzoeken om steekpenningen gaan is die heel mild. Maar nog steeds niet netjes en bovendien staat ons busje met koelkast en bier best een stuk verderop. Dus we zeggen beleefd nee, bedanken hem hartelijk en mogen van de agent nu wel doorrijden.

Op naar Peru!

 

This entry was posted in Bolivia, Panamericana. Bookmark the permalink.

2 Responses to Hoge punten Bolivia

  1. Evie says:

    Wow!!!

  2. Merlijn says:

    Nou, met een gezegende bus kan het helemaal niet meer fout gaan… Ziet er mooi uit daar, ben benieuwd of Peru ook de beloftes waar maakt…

Comments are closed.