Deel 2: Pech in Peru

Het is een lastige keuze: gaan we nog wat oude meuk checken in de vorm van een oude nederzetting van adobe (gebakken modder) huizen en tempels, of gaan we linea recta naar het strandparadijs dat ons is aangeraden door andere reizigers? Hoewel we wat coole plaatjes zien van het oude dorp zijn we allemaal wel toe aan een onvervalste stranddag, dus gaan we als echte cultuurbarbaren op weg naar zee, zon en zand.

Wij rijden rustig achter onze Zwitsers aan. We passeren het zoveelste gehucht van ‘1 dorp, 1 straat’ en halen de zoveelste tuktuk in. De volgende tuktuk gaat alweer netjes naar rechts de vluchtstrook op, wat ze steeds doen om de veel harder rijdende auto’s langs te laten. Deze besluit echter vervolgens blind over te steken over twee banen. Ik kan hem nog een stukje ontwijken, maar rond de middenlijn is de rek eruit en de rem op: onze rechter voorbumper plet zijn linker achterwiel met een onprettig metalig geluid. Hij schiet door richting de berm en huizen, en komt net voor een muur tot stilstand. Op de weg ligt zijn slipper en onze voorlamp.

Holy crap! De bestuurder van de tuktuk blijkt gelukkig verder helemaal in orde. En 17. En zonder rijbewijs. Niet verzekerd dus. Crap.

 

Binnen enkele seconden staat het halve dorp (wat opeens heel groot lijkt) om ons heen. De sfeer lijkt even grimmig te worden, en we zien de koppen al langsflitsen (‘Boze dorpelingen lynchen toeristen’). Gelukkig horen we een getuige zeggen dat het toch echt onze schuld niet was, dat ze had gezien dat de tuktuk opeens overstak. Dat bedaart de boel aardig. We zien tot onze verbazing dat onze rechter voorkant behoorlijk stuk is. Kom op zeg, het was een tuktuk! Zou onze V8 A-team bus daar niet overheen moeten kunnen rijden zonder schade? Niet dus, onze knipperlicht en voorlamp zijn stuk en de zijkant is helemaal gedeukt. De deur aan die kant maakt een knerpend geluid dat recht door de ziel gaat. Ons arme busje.

Jaja, die jongen is natuurlijk ook zielig. Maar zodra we hebben vastgesteld dat hij er met de schrik vanaf is gekomen overheerst de ergernis over zijn kansloze rijgedrag. Ondertussen is zijn moeder (? Tante? Dorpsgenoot?) druk bezig om ons te overtuigen dat die jongen niet alleen zielig, maar ook heel arm is, en dat we vooral de politie niet moeten bellen omdat hij geen geld heeft (lees: de boete niet kan betalen voor onverzekerd rondrijden).

Voordat we hebben kunnen uitvinden wat eigenlijk het alarmnummer is en hoe we dat met onze buitenlandse telefoons kunnen bellen (want natuurlijk bellen we de politie) komt er een politieauto langsrijden. We worden meteen naar de kant gedirigeerd. Wat nou sporenonderzoek. Eerst worden uitgebreid alle dorpsbewoners gehoord. Uiteindelijk komt er ook een politieagent naar ons toe. Ik leg uit in mijn beste Spaans dat het dan wel een aanrijding van achter is, maar dat het gevaarlijk rijgedrag van de tuktuk was. De tuktuk wordt ingeladen op een pickup, en wij moeten naar het politiebureau. De agente rijdt met ons mee.

Op het bureau iets verderop moeten wij even wachten. Dan worden we ontboden in het kantoortje van weer een andere politieman, aan wie we nogmaals ons verhaal moeten vertellen en onze papieren laten zien. Gelukkig zijn die allemaal netjes in orde. Het lijkt erop dat de jongen eerlijk is geweest in zijn relaas tegen de politie (hoewel Nadine hem buiten tegen zijn vrienden een ander, aanzienlijk heldhaftiger verhaal hoort vertellen). De agent legt ons uit dat we twee opties hebben: of een rapport laten opmaken door de politie. Dan verloopt het vergoedingsproces via de verzekering van die jongen (die hij niet heeft) en krijgt die jongen een boete voor rijden zonder rijbewijs en verzekering. Of we proberen wat met de vader van die jongen te regelen. De agent raadt ons van harte aan dat laatste te doen, omdat de kans dat we anders nog wat krijgen uitzonderlijk klein is.

Nadat we over de verbazing heen zijn dat een politieman ons aanraadt géén aangifte te doen, moeten we toegeven dat dit inderdaad het minst onvoordelig lijkt. En hij is wel bereid om het wel te doen, waar we ons eerder wat zorgen over maakten (is de politie onpartijdig in een geval ‘buitenlander vs. dorpsjongen wiens vader ze nog mee in de klas zaten’). We praten met de vader in kwestie. Een klein, dik gedrongen mannetje. Met van die worstvingers. De beste man ziet er niet uit alsof ze te arm zijn om iets te betalen, hoewel hij dat natuurlijk wel voortdurend benadrukt. Uiteindelijk besluiten we dat we met hem naar een garage in de buurt rijden, en dat als we daar niet tot een goede afspraak kunnen komen, we dan terugkomen om alsnog dat rapport te laten typen.

 

De garage, aka zandbak, zegt de gebroken onderdelen morgen in huis te kunnen hebben. Verder kunnen ze het zijpaneel uitdeuken en verven. Het wordt allemaal ‘como nuevo’. We zijn wat sceptisch, maar hij belooft het allemaal morgenmiddag af te hebben. Om twee uur. Weet u dat zeker? Morgen? Alles klaar? Ja, morgenmiddag, twee uur stipt. We besluiten dat een reparatie ‘como nuevo’ beter is dan niets, en gaan akkoord.

We nemen afscheid van onze Zwitsers. Die waren net om de bocht toen het gebeurde, maar zijn terug komen rijden toen ze ons niet meer zagen. We spreken af dat zij vast naar het strand gaan, en dat we elkaar daar de volgende avond zien. En zo niet dan op de afgesproken datum voor de Colombiaanse grens om samen dat land te gaan doorkruisen. Vervolgens blijven we bij de garage om het eerste deel van het proces te bekijken. Ze beginnen met het ontmantelen van de voorkant. Dat lijkt goed te gaan, en we krijgen genoeg vertrouwen om op jacht te gaan naar een slaapplek voor de avond. Het gaat hier wellicht meer om gelatenheid dan echt vertrouwen, want dat laatste is moeilijk in een ommuurde zandbak, met aan een uiteinde een stukje overdekt met golfplaat en een soort Mariatempel met felgekleurde knipperende lichtjes. Niet onze smaak, en ook wat zorgwekkend. Prima dat zij hun vertrouwen in de heilige Maagd Maria leggen, maar of die echt iets weet van autotechniek? Wij hadden liever een monteursdiploma aan de muur zien hangen…

Buiten lopen we langs het hotel dat we al hadden zien liggen. Die heeft wel kamers, maar die ruiken nogal funky en zijn erg duur. We zoeken nog even verder. En dan komen we erachter, dankzij CityMaps2Go, dat we daadwerkelijk in een stranddorpje zijn beland. Misschien toch nog zon, zee en zand vandaag. Het schijnt zelfs de locatie van de Peruaanse kampioenschappen surfen te zijn. Wat wil je nog meer?

Dus gaan we op weg naar de kust. Onderweg vinden we een basic maar schoon en goedkoop hostel, en we boeken de kamer. Daarna wandelen we verder, en vinden een dorpje met winkels en een heuse strandboulevard. We besluiten ondanks alles dan toch maar van de middag te gaan genieten, en nuttigen een lekkere lunch aan het strand. Inclusief een kan ijskoude limonade. Na deze kalmerende elementen weten we hoe het gaat lopen: morgen is de auto daadwerkelijk om twee uur ’s middags klaar, en dan rijden we lekker door naar het strand en gaan daar in het paradijs genieten met onze Zwitserse vriendjes.

Tegen het eind van de middag halen we onze slaapspullen op bij de garage. Het werk lijkt prima gevorderd. Ons zijpaneel is ontdeukt en teruggezet. We gaan met een gerust hart slapen, en de volgende ochtend doen we rustig aan en lopen we weer naar de boulevard voor een mooie brunch. Op de terugweg komen we plotseling langs een uitgebreid waterpark met een indrukwekkend hoog kitsch gehalte. Dolfijnen enzo. Dit zal wel de verkiezingsbelofte van een lokale man zijn. Achter de witte dolfijnen zie je de achterstandsbuurt in al haar glorie staan. Nog net geen sloppenwijk. Uitstekende prioriteitstelling jongens.

En dan lopen we om twee uur stipt de garage weer binnen, om meteen weer weg te rijden in onze ‘como nuevo’ opgeknapte bolide.

Tja. Zou dat niet mooi zijn geweest? We treffen ons busje aan in exact dezelfde staat als de avond ervoor. Behalve dat er nu overal zwarte spetters op de zijkant zitten. Een andere auto die later is binnengekomen is ondertussen wel af, en de eigenaar vertrekt er tevreden mee. We ervaren enige irritatie. We vragen hoe het zit. De ‘monteur’ die aan het werk is is niet de baas, en wil niet met ons praten. Omdat we de nieuwe lampen niet zien liggen die ze vandaag binnen zouden krijgen hebben we wel zo’n vermoeden waarom. We moeten op de baas wachten.

De baas komt terug. En inderdaad, de benodigde nieuwe onderdelen zijn toch niet verkrijgbaar. Tja, dit is Peru hè, en die onderdelen hebben we niet overal. De sfeer wordt met de minuut minder gezellig. Wij willen nu geld in plaats van deze ‘reparatie’, want zonder de nieuwe onderdelen hebben we er niet zo veel aan. In ieder geval niet in termen van kostenvergoeding voor de schade. Dat kan de baas niet doen zegt ie, want de vader van de brokkenrijder heeft de reparatie op afbetaling gedaan. Dus gaat Kwin met de baas in de auto die man zoeken.

Enige tijd later komen ze terug, inclusief de dikke kabouter. Met zijn worstevingertjes. (Er is sprake van enige aversie.) De onderhandeling start weer. We zijn het over weinig eens, behalve dat de huidige staat toch echt niet ‘como nuevo’ is. We krijgen een paar honderd pesos, maar zijn nog niet tevreden. ‘No tengo, no tengo’, zegt de kabouter op onze eis dat de kosten voor ons toch echt hoger zullen zijn om zelf de reparatie elders te regelen. Het gaat een tijd heen en weer van dat we tegen kabouter zeggen dat we meer willen, dat hij zegt dat hij het niet heeft en dat wij zeggen dat hij dat dan maar met de garagebaas moet regelen. Die heeft wel een aanbetaling gekregen, en niet het beloofde werk geleverd. Moet hij maar wat inleveren. Kabouter durft duidelijk niet goed opnieuw die discussie aan te gaan, maar wij blijken te aanhoudend om ons te negeren. Uiteindelijk tovert hij toch nog een honderdje uit zijn borstzakje, en levert de garagebaas ook nog wat in. De kabouter reed overigens alweer rond in een gloednieuwe tuktuk. Straatarm ja, die man.

Tijdens onze onderhandelingen is het werk aan de auto wel doorgegaan. De pogingen om het frame helemaal netjes uit te deuken (waar we eerst zelf om moesten vragen) hebben we moeten stopzetten, het werd alleen maar erger. Het zijpaneel is wel gespoten, zij het in een nét andere kleur wit en veel doffer dan de rest (‘dat heeft nog wat tijd nodig om in te trekken, dan is het net als de rest van de auto’). Ook heeft de baas na veel tegenstribbelen de zwarte stippen van onze zijkant gepoetst. Zijn eerdere ‘o dat gaat er zo af’ blijkt optimistisch, hij moet er aardig agressief spul bij pakken om het dikke olie/verf mengsel eraf te krijgen. Steeds als hij ‘klaar’ is wijzen we nog een paar spetters aan. Noodzakelijk micromanagement waar niemand vrolijk van wordt.

De bumper wordt er weer onder gehangen. Scheef. O echt? O ja, ik zie het *zucht*. Nou vooruit zeg maar wanneer hij recht hangt dan. Bij het voorbereiden van de bumper heeft Kwin daarvoor al moeten ingrijpen. Bij het vastmaken van het ijzeren en plastic gedeelte worden schroeven en klemmetjes lukraak erin gezet. En aanzienlijk minder dan er eerst in zaten. We beginnen spijt te krijgen van dat we er niet de hele tijd naast hebben gezeten. Wat is er nog meer niet netjes gedaan?

Dan zeggen ze ‘klaar’. We begrijpen het niet. Hoezo klaar? Onze lampen liggen er nog stuk naast. ‘Ja die zijn stuk, die kan ik er zo niet inzetten.’ NO SHIT!!! En wat doen we dan jongen, als iets stuk is en jij bent de monteur? Re-pa-re-ren. We pakken onze eigen secondelijm erbij en zetten de koplamp en knipperlicht voor zover mogelijk weer terug in elkaar. Kwin is eerder al op pad geweest met de Baas om nieuwe lampjes te halen. Dan probeert de monteur de lamp er weer in te zetten (op ons aandringen). Hoewel hij niet zo spraakzaam is, spreekt zijn houding boekdelen: ‘huh? Maar er mist een stukje, zo kan ik het toch niet vastmaken?’

Het is zo’n moment waarop wij ten diepste betreuren dat grof geweld het proces niet zal bespoedigen.

We bedenken een manier om de lampen toch nog wat vast te zetten. Uiteindelijk zitten ze min of meer vast. En wij zijn er meer dan klaar mee. We moeten hier weg. We rijden de zandbak uit en voelen een intense vreugde. We zijn vrij! We zijn weer onderweg!

En dan volgt tot onze geringe verbazing en diepe, diepe teleurstelling het klassieke moment. Donald Duck rijdt net weg bij de glibberige verkoper, en zodra hij de openbare weg op draait verliest hij zijn uitlaat en trilt de verf eraf. Kortom: een kleine kilometer na ons vertrek bij onze supergarage zijn we nog druk bezig elkaar te feliciteren dat we daar weg zijn. Dan horen we een onmiskenbaar ‘er zit iets los en sleept over de weg’ geluid. Onze vreugde komt abrupt ten einde.

Jawel. Het blijkt dat ze een onderdeel van de bumper, dat ze losgeschroefd hadden om de boel te repareren, niet opnieuw hebben vastgezet. Tja, waarom zou je ook als je het ook gewoon een beetje terug kunt duwen. We zijn tegen beter weten in opnieuw helemaal verbijsterd over de diepte van de kansloosheid van de monteurs. We kunnen niet beslissen of we het triester zouden vinden dat het komt door incompetentie of een compleet gebrek aan werkethiek. Waar het ook door komt, een ding is duidelijk: they just don’t care. Zo volkomen troosteloos, wanneer mensen met zo weinig trots hun werk uitvoeren.

We vloeken nog wat. We denken koortsachtig na over alternatieven. Maar we kunnen er niet omheen: het lijkt toch beter om terug te gaan en hen het te laten repareren dan om het zelf te doen zonder enige middelen. Strak van de negatieve energie rijden we terug. Ze zijn niet blij (maar ook niet heel verbaasd) om ons weer te zien. O ja, dat zit los ja. Gut, daar had inderdaad een schroef in gemoeten. De baas gaat weer onder de auto liggen. Om er een tie-wrap omheen te doen, zo leren we later wanneer het ding weer losschiet in Amerika.

We rijden weer weg. Dit keer zullen we niet wederkeren.

  • Opbrengst: ontdeukt zijpaneel.
  • Verlies (direct): goede humeur, een dag van ons leven.
  • Verlies (bij latere inspectie): V8 logo, verschillende schroeven, tijd voor herstellen verkeerd geplaatste schroeven, klemmetje voor bevestigen lampen.

Het is al 5 uur. We vinden dat de Kabouter en consorten ons nu wel genoeg hebben opgehouden. Het is nog een eind rijden naar het strand waar Philip en Nadine zijn, maar we moeten en zullen daar vandaag nog aankomen.

Het wordt 1 uur ’s nachts. De coördinaten van de camping leiden ongeveer tot een dichte deur van een camping. We staan daar even te kijken, maar er is geen teken van leven. We rijden ietsje verder om te kijken of er 200 meter verderop nog iets is. Er lijken wel wat campers te staan op de plek van de coördinaten, maar vanaf de weg kunnen we het niet goed zien in het donker, en het hek dat direct naar die plek leidt lijkt niet bij een officiële camping te horen.

Dan toch maar terug naar die dichte poort van de camping iets daarvoor. Desnoods kamperen we voor de dichte deur. Nadat we gedraaid zijn zien we iemand langs de weg lopen in onze richting. Mooi, dan kunnen we het vragen of hier nog een andere camping in de buurt is. Het blijkt nog veel mooier: het is Philip.

Hoewel ze allang sliepen, ging Nadine even naar de WC. Daarvoor moet je langs het hek bij de ingang lopen. Daar zag ze ons staan, en wegrijden. Waarop zij terug is gerend naar Philip om hem te waarschuwen, en vervolgens de manager van de camping wakker heeft gemaakt om de poort open te maken.

Een indrukwekkend staaltje geluk! Of misschien karma, na ons Grote Lijden bij de garage Beunhaas & co. Hoe dan ook parkeren we naast onze Zwitserse vrienden en genieten van een goddelijk douche en welverdiende nachtrust.

Philip en Nadine hadden eigenlijk al besloten om de volgende ochtend verder te rijden, maar nu wij aan zijn gekomen doen ze nog een dagje strand met ons mee. Het is een prachtige plek. Wit zand, palmbomen, hangmatten. Philip helpt ons nog met wat tape om de koplampen extra vast te zetten. (Jammer dat hij geen spullen bij zich had, hij werkt bij een Ford garage in Zwitserland. Had het ongetwijfeld professioneler opgelost.) We zijn het er allemaal over eens dat ons busje er niet mooier op is geworden, maar dat het veel erger had kunnen zijn. Die jongen had dood kunnen zijn, om maar iets te noemen. En van een afstandje valt de autoschade ook nauwelijks op.

We genieten erg van een dagje rust en strand. De zonsondergang is ook prachtig. De volgende dag gaan we wel weer verder. Het is mooi geweest met Peru. Tijd om naar Ecuador te gaan!

 

This entry was posted in Panamericana, Peru. Bookmark the permalink.

2 Responses to Deel 2: Pech in Peru

  1. Merel says:

    Nou dat klopt! Moesten hier in Amerika even langs de garage voor de bougies (na verscheidene pogingen moesten Kwin en zijn gekrenkte ego toegeven dat het niet zelf ging lukken…). Kregen onze auto binnen de afgesproken tijd terug, met gratis APK en wasbeurt. Dat is wel even genieten na dat je hebt gezien hoe het ook kan. 🙂

  2. Merlijn says:

    Wel waardeloos dat jullie Van zo is toegetakeld, gelukkig dat het voornamelijk optisch was, je moet er niet aan denken dat ze in die garage nog cruciale zaken hadden moeten vervangen. Hopen op een voorspoedig voortzetting, gelukkig is het, naar mate je verder naar het noorden rijd, meestal ook beter voor elkaar…

Comments are closed.