Ecuador: Vier Fantastische Dagen

Na een standaard grensovergang (aantal kantoortjes, aantal stempels) zijn we in Ecuador. Dat bevalt onmiddellijk. Op de een of andere manier lijkt hier een prettige sfeer te heersen die je zelfs rijdend vanuit je auto voelt. Misschien komt het omdat de mensen hier allemaal vrolijk kijken. Of dat het land wat rijker lijkt, met een goede weg en meer baksteen en minder golfplaten in de huizen. Maar zo’n goede sfeer lijkt ons ook onvermijdelijk met dit soort benzineprijzen. Het is echt genieten, dat tanken. Je denkt eerst, ‘o dat valt mee’. Dan realiseer je je dat het om dollars, en niet om euro’s gaat. Wow! En vervolgens dat de prijzen per gallon zijn, en niet per liter. Nou, en dan wordt het echt lachen. Omdat Peruanen dit ook wel grappig vinden, kan je in de buurt van de grens maar 20 liter per keer tanken.

Wat aanzienlijk minder bevalt is het aanhoudende moordlustige verkeer. Iedere paar minuten maken we een bizarre en suïcidale manoeuvre mee van maniakken op de weg. We hebben een bijna-botsing met een busje dat begint in te halen terwijl wij al naast hem zitten. We zijn er helemaal klaar mee.

Dat het hen geen zier kan schelen dat ze hun leven riskeren bij iedere inhaalactie met blinde bocht, dat moeten ze zelf weten. Triest natuurlijk, maar als ze zelf een keer tegen een boom of in het ravijn rijden dan is het met name wonderlijk dat het niet eerder is gebeurd. En na wekenlange stress op de weg kunnen we er nu niet langer omheen: we gunnen hen van harte het spoedig vervullen van die doodswens. Tegen die boom of in dat ravijn wel te verstaan. Want het inzetten van hun eigen leven voor die paar minuten tijdswinst, tja. Maar om andere mensen daarmee direct in levensgevaar te brengen, dat gaat ons te ver. En dan boos toeteren dat je niet uit de weg bent gegaan. Bewust of niet, het gemiddelde rijgedrag is hier niet ‘asociaal’, maar ‘poging tot doodslag’.

Dat gezegd hebbende: alles went. We toeteren vrolijk mee om mensen te alarmeren dat we er zijn, en kijken laconiek toe hoe een volgende gelukszoeker zich vol enthousiasme de bocht in werpt op de verkeerde rijbaan. We blijven maar zeggen ‘sjonge, dat scheelde weinig’. Het is ongelooflijk dat we nog geen dodelijke ongelukken hebben gezien. Dat zal pas in Mexico gebeuren. Gelukkig zonder onze betrokkenheid.

Gelukkig is het rijden naast ‘avontuurlijk’ ook erg mooi. De omgeving is prachtig, en onze eerste bestemming is Cuenca. De coördinaten van eerdere reizigers brengen ons bij een terrein waar niemand lijkt te zijn. Het is ook niet echt een camping. Wanneer we de eigenaar vinden mogen we er echter toch kamperen. Ze verhuren een huis, en we mogen daar binnen douchen en naar de WC. Wat raar omdat zij daar op dit moment zelf ook zitten, maar het zijn erg aardige mensen. Er lopen kippen op het terrein, waarvan er twee een kudde kuikentjes bij zich hebben. De jongste kudde zit allemaal onder mama, waardoor die twintig pootjes lijkt te hebben.

We zijn redelijk vroeg aangekomen, en gaan nog op jacht naar een taxi om de stad in te gaan. Een echte aanrader! Misschien zouden we er niet apart voor naar Zuid-Amerika vliegen, maar toch zeker flink voor omrijden als we toch op het continent waren. Het centrum is mooi met koloniale gebouwen, een grote kerk en een markt met groente en fruit en bloemen. Ook staat hier de originele fabriek van Panamahoeden. Nee, die komen dus niet uit Panama. Ze heten zo omdat ze altijd via het Panamakanaal geïmporteerd werden. De fabriek doet nu ook dienst als winkel, museum en café. We kopen allebei een hoed en drinken een prima kopje koffie. Er is een mooi aangeklede bruid bezig met een fotoshoot in het gebouw. We zien haar later de kerk in gaan, met allemaal feestelijk uitgedoste mensen rond de ingang.

Na het checken van het centrum zoeken we een restaurantje op. Ze hebben er heerlijke soep met kaas en avocado. We hebben een gezellige avond met z’n vieren. Helaas zijn onze magen het er de volgende dag niet mee eens, en is Kwin zelfs ziek.

Dat hopen we op te lossen met een helend bezoekje aan de thermische baden in het plaatsje Baños. Het hostel blijkt prima met goede voorzieningen. De thermische baden zijn kansloos. Gezellig druk, was het er. We maken ons al wat zorgen wanneer we de rij voor de ingang zien. Maar we denken, ze zijn net dicht geweest voor de schoonmaak van de baden, dit zal wel de rij zijn van dat ze net open zijn en iedereen nog buiten staat.

Het blijkt de rij te zijn van ‘wij laten meer mensen toe dan er redelijkerwijs in onze baden passen’. Een van de grootste baden is afgezet omdat die nog gevuld wordt. Het tweede bad is te heet om daadwerkelijk in te gaan. Voor gewone stervelingen dan, Kwin doet na een eerste schok een heldhaftige en geslaagde poging. Het derde bad is te koud om in te willen. Het is namelijk best fris buiten in je badpak, zonder zon en met wind.

Het vierde en laatste bad is op ideale temperatuur. Daar is echter iedereen het over eens. En omdat het te koud is om te wachten tot het andere veel grotere bad is volgelopen, perst iedereen zich het bad in. Je kunt het water niet meer zien. Je moet hier en daar mensen een zetje geven om erin te komen en een plaatsje te bemachtigen, hurkend in het één meter diepe water. Daar zit je dan, schouder aan schouder, te denken over hoeveel van de vele aanwezige kinderen in het bad al zindelijk zijn.

Nadat we dapper zo’n tien minuten zijn blijven zitten besluiten we deze aanfluiting te zien voor wat het is en maken we ons uit de voeten. We waarschuwen andere toeristen die bezig zijn een kaartje te kopen dat ze beter morgenochtend kunnen gaan. Zij zijn ons dankbaar. De verkoper net wat minder.

Om deze matige ervaring te compenseren gaan we op zoek naar het Zwitserse restaurant dat er volgens de reisgids zou moeten zijn. Dat ziet er gepast Zwitsers uit. Kwin bestelt een heerlijk plankje met onder andere kaas en worst, en ik schraap op het eind enthousiast de laatste kaas uit mijn potje kaasfondue. Philip en Nadine zijn voor de vleesfondue gegaan, met hete olie. Hoewel de olie eerst wat te heet is en levensgevaarlijk spettert, is de smaak uitstekend. Een smakelijke afsluiter van onze avonturen in Baños.

De volgende dag rijden we verder naar Quito. We stoppen bij een Ford garage om te vragen of ze de nieuwe koplamp en knipperlicht hebben die we nog moeten vervangen. Die hebben ze, voor het luttele bedrag van omgerekend zo’n 550 euro. We kijken de verkoper verbouwereerd aan. Hij haalt zijn schouders op. Tja, geïmporteerd hè. De zapper voor de auto, die Kwin al tijdenlang hevig begeert, is 75 euro. (E-bay: 8,50 dollar voor 2.) We besluiten dat we uitstekend toe kunnen met onze gelijmde en geplakte lichten.

Dan is het tijd voor de overige, beter betaalbare boodschappen. We vinden een gigantisch winkelcentrum. Dat heet hier ook gewoon ‘Mall’ en is minstens zo Amerikaans als Amerika. Naast eten kopen we ook een lamp voor buiten en een 12 volt laptop-adapter. Gut, we hadden ook wel zonder kunnen leven, maar je moet toch wat in zo’n consumenten walhalla. In lijn van ons materialisme maken we even later ook tijd om de auto te laten wassen. Er is een wachtrij, maar na een rustige lunch en wat blog werkzaamheden in de auto (zie je wel hoe hard we die 12v adapter nodig hadden) is onze bus weer helemaal blinkend schoon. We hopen dat zij zo ook het trauma van de botsing en het garagebezoek van zich af heeft gewassen.

Zo rijden we met een schone lei Quito in. We kunnen ons beoogde hostel eerst niet vinden, tot we erachter komen dat onze GPS in al zijn wijsheid heeft besloten een ander coördinatensysteem te gaan gebruiken. Gelukkig zijn we wel dicht in de buurt. Bij het hostel zien we Philip en Nadine weer, en komen we tot de conclusie dat het centrum van Quito ter ver weg is om met de spits nog heen te gaan. Jammer, want het historische centrum schijnt mooi te zijn. Aan de andere kant schijnt er ook een lange vete te zijn tussen Quito en Cuenca wie het mooist is, dus we hebben in ieder geval iets vergelijkbaars gezien.

En het is eigenlijk wel zo ontspannen om de rest van de middag wat rond te hangen, wat klusjes te doen, wat te internetten. We eten gezellig op de parkeerplaats met een fles wijn. Omdat we niet los kunnen betalen voor het kamperen op de parkeerplaats, hebben we een kamer genomen. Fijn om eigen douche en toilet te hebben, en niet naar buiten te hoeven als je ’s nachts naar de WC moet. Maar er is een dakraam zonder gordijn en het bed is niet comfortabel. Dan slapen we liever thuis. Hoog tijd om net als vele full-time RV bewoners een kitscherige tegel aan te schaffen met de tekst ‘There’s no place like home’.

Hoewel we nog nauwelijks in Ecuador zijn en het ons hier zeer bevalt, vertrekken we de volgende dag richting Colombia. We hebben immers een boot te halen. We maken nog een laatste stop bij een kerkhof die onze Zwitsers aangeraden hebben gekregen. Dat blijkt een geweldig afscheid van Ecuador. Het kerkhof staat vol met struiken in geniale vormen. Papegaaien, boeddha’s, hoofden, alles wordt met grote zorg in vorm gemaakt en gehouden. Met de hand. Dat is pas kunst.

 

Vaarwel Ecuador, en tot ziens!

Op naar Colombia.

 

 

This entry was posted in Ecuador, Panamericana. Bookmark the permalink.

2 Responses to Ecuador: Vier Fantastische Dagen

  1. Arjen van der Kooij says:

    Haha, roekeloosrijgedrag doet me denken aan onze vakantie vorige jaar in Italië. Daar is het op de snelweg ook inhalen op plekken waar het niet kan en bumperkleven alsof hun leven van die 3 minuten afhangt. Echt knap dat iemand zóó dicht erachtop je kan rijden.

  2. Merlijn says:

    Waarschijnlijk hebben al die kamikazepiloten hun rijbewijs bij een pakje boter gekregen, toch is het wel typisch dat zoiets blijft voortbestaan, je zou toch verwachten dat verkeersveiligheid wat meer aandacht zou krijgen op den duur. (Wij hebben hetzelfde meegemaakt in Malta)

Comments are closed.