Cartagena – Panama: niet voor beginners

Na een goede nacht slapen zijn we aardig bijgekomen van de lange rit naar Cartagena. Rond koffietijd is er afgesproken met Manfred bij de supermarkt. Die doet dienst als zijn kantoor. Hij is een kwartiertje te laat, maar dan is ie er ook. Sjonge. Een gigantisch tent-shirt hangt over zowel zijn buik als zijn buikbuidel. Zijn gezicht doet een voorliefde voor alcoholische dranken vermoeden, evenals zijn zonnige humeur. Tussen het praten door doet hij dat speciale oude-mannen ding waarbij zijn onderkaak naar voren gaat en zijn onderlip naar binnen.

Achterin de supermarkt zit een cafetje met wat tafels en stoelen. Er is ook een copy-shop en wasserette. Dit is dus het excentrieke kantoor dat bij de excentrieke man hoort. Er moeten allerlei papieren getekend worden. Hoewel Manfred veel heen en weer schuift met velletjes lijkt hij uitstekend te weten waar hij mee bezig is. Hij laat super subtiel weten het niet leuk te hebben gevonden dat hij het papierwerk voor onze auto’s twee keer heeft moeten doen in verband met onze vertraging: alle dubbele en niet meer geldige versies worden op een aparte stapel gegooid met iedere keer een ‘this is now useless’ erbij.

Al met al is de tekensessie snel voorbij, en spreken Kwin, Philip en Manfred morgenvroeg heel vroeg af bij de haven. Helaas mogen de dames niet mee omdat zij niet de eigenaren van de auto’s zijn. Zij zullen moeten uitslapen.

Nadine voelt zich niet zo lekker, dus zij gaat met Philip terug naar het hotel. Wij laten ons met een taxi afzetten bij het oude centrum. Dat is een prachtige en goed onderhouden koloniale binnenstad. Na de eerste paar stappen in deze historie schiet een van de banden van mijn slipper los. We moeten in de eerste de beste winkel een nieuw paar aanschaffen. Oh well.

Met nieuwe slippers verkennen we de buurt. Er hangt een prettige sfeer, met zowel locals als toeristen. We vinden een pleintje met wat cafés, en gaan zitten om – eindelijk – ons eerste kopje koffie in Colombia te bestellen. De koffie is wel aardig, en we genieten met name van het observeren van de toeristen en de serveersters. Die laatsten wapperen steeds enthousiast met hun menukaarten om de aandacht te trekken van nieuwe toeristen. De concurrentie op het plein is groot. We slaan in goed humeur beleefd vele aanbiedingen van straatverkopers af. Hadden we de stralende zon al genoemd?

Na ons eerste kopje koffie gaan we op zoek naar nummer twee. Na nog vele mooie huizen te hebben bewonderd vinden we het ideale café aan een nog mooier plein. Ze hebben hier zachtfluwelen cappuccinos en verfrissende limonadas. Ook is er uitzicht op het plein en de straat waar voortdurend hordes cruiseboot toeristen langskomen, al of niet in koets. Na al het gedoe van de afgelopen weken is dit even intens genieten. We kunnen ons zomaar voorstellen dat we hier nog eens terugkomen. De oude stad is indrukwekkend, het nieuwe gedeelte modern en groen, aan zee met stranden zijn binnen handbereik. Dit is het mooie Colombia. We hopen dat de cappuccino Max Havelaar is.

De volgende dag vertrekken de heren vroeg om met Manfred naar de haven te gaan. Vandaag staat het papierwerk en het betalen op het programma. Nadine en ik vertrekken iets later om de stad in te gaan. We wandelen wat rond en eindigen niet geheel toevallig bij het café aan het plein om op de heren te wachten. Dit duurt langer dan verwacht. Dat verbaast ons niets wanneer ze even later over hun avonturen vertellen.

In de haven moet er vooral veel worden gewacht. Eerst natuurlijk identificeren om de haven in te mogen. Veiligheidshesje aan, helm op. Zo bewapend stappen ze gelaten het onheilspellende ‘Oficina de Papeles’ in. Hier begint een saai en lang proces van wachten, iets betalen, daar een stempel voor krijgen. Wachten, betalen, ander stempel. Etcetera. Manfred weet precies wanneer welk loket en welk stempel aan de beurt zijn. Er is slechts een onverwachte kostenpost hierbij. Doordat de boot een dag vertraagd is (niet door ons, voor alle duidelijkheid) moeten we stallingskosten betalen voor de container op de haven. Ach, met 60 dollar gedeeld door vier kunnen we dat wel aan.

Na het havenbezoek moeten ze nog even langs ‘kantoor’. Manfred zegt niet duidelijk waarom. Dit blijkt te zijn om Philip en Kwin voor te stellen aan een Duitse gozer die per motor op reis is. Hij overweegt om ook via Manfred zijn motor te laten verschepen, en Manfred ziet het wel zitten om dat in dezelfde container te doen als onze auto’s. Als het goed is past het net in de container. En volgens Manfred kan het nog prima om nu alles nog te regelen. We doen de jongen een aanbieding, maar uiteindelijk besluit hij om zijn motor via de zeilboot te vervoeren. Het was iets netter geweest van Manfred als hij dat vast aan ons had voorgelegd voordat hij de Duitser opeens voorstelde, vinden wij.

Op dag drie vertrekken we weer lekker vroeg van het hotel. Dit keer helaas allemaal, omdat we de auto’s vandaag naar de haven gaan brengen en we naar Manfreds appartement gaan verhuizen. De heren gaan weer naar de haven. Daar worden de busjes gewogen, en weten we eindelijk zeker dat we een ‘normaal’ campergewicht hebben: 3000 kg met alle spullen erin. Vandaag leren de heren dat ze steeds zo bizar vroeg zijn opgestaan omdat Manfred het in de vroege middag te warm vindt en het in de late middag te veel waait naar zijn smaak. Anders had het inleveren van de auto’s ook prima gister gekund, of het inladen van de auto’s vandaag. Nu laten de heren de auto’s alleen achter op de haven. Er wordt nog wel een rapport gemaakt over de staat van de auto voor de verzekering.

Dan willen ze weer de haven uit, maar zo makkelijk gaat dat niet. Ze zijn namelijk met een auto de haven in gegaan, en proberen die nu te voet te verlaten. Daar zijn natuurlijk verschillende processen voor, en Kwin en Philip hebben zo niet het juiste papiertje. Manfred heeft wel een document waarmee ze de haven uit mogen, maar dat wil hij niet inleveren. Hij denkt het later nog nodig te hebben. Manfred windt zich nogal op en lijkt even niet meer voor rede vatbaar, maar uiteindelijk levert hij het document in en kunnen de heren de haven uit. Voordat ze naar huis kunnen moeten ze nog langs de Doe-Het-Zelf zaak om stokken en touw te kopen om straks de auto’s mee vast te kunnen zetten.

Ondertussen hebben Nadine en ik kunnen genieten van Manfreds appartement. Dit is een onwaarschijnlijke dump. Het ruikt er muf en is er bijzonder heet. Er liggen nog overgebleven boodschappen en vuilnis van de vorige onfortuinlijke bezoekers. Die vonden het kennelijk wel prima want er staan wat biertjes op tafel met een briefje met ‘Danke Manfred!’ Wanneer deze krasse knar ons binnenlaat is hij zelf verbaasd deze biertjes te zien. Hij is kennelijk een tijdje niet binnen geweest. Hoe lang zou het geleden zijn?

Dat er ook geen schoonmaak binnen is geweest kan onder andere worden afgeleid aan de natte handdoeken op de stoel naast het bed en het beslapen beddengoed. Manfred lijkt dit niet zo schokkend ranzig te vinden als wij, hij roept onaangedaan dat er schone lakens in de kast liggen. Daarbij hanteert hij dezelfde definitie van ‘schoon’ als op de rest van het huis van toepassing is. In de woonkamer viert het stof hoogtij op de vele rotzooi die langs alle wanden opgeslagen is. Via een niet goed afgeplakte deur kunnen we meekijken in de tandartsenpraktijk van zijn vrouw. Een beetje elitair misschien, maar dat vinden wij dus raar. Bah!

Die avond komen Nadine en Philip erachter dat de airconditioner in hun kamer niet werkt. Het is een klamme en onrustige nacht, gevolgd door een vroege wekker. Vandaag gaan we met z’n allen naar de haven voor de drugscontrole en het inladen van de auto’s in de container. Manfred komt met zijn ‘privetaxi’, bestuurt door zijn zoon. Het lijkt een matig gezellige vader-zoon relatie. Hij heeft echter een chauffeur nodig en zijn zoon een baan waar hij niet zomaar ontslagen wordt, want ‘THEY won’t let me drive anymore’. Wij vermoeden dat ‘they’ daar wel een goede reden voor zullen hebben.

Bij de haven kleden we ons allemaal in hesjes en helmen. We brengen een kort bezoek aan de Oficina de Papeles, en kunnen daarna vrij snel door naar de loods waar de drugscontroles plaatsvinden. Dat is hier een serieuze business. Werkelijk alles wordt uit de containers gehaald en in ene loods gezet. Er worden gaten geboord in de bodem van de containers om dubbele bodems te ontdekken. Alle spullen in de loods worden gecontroleerd. Meestal komen er drugshonden langs. Dan pas gaat alles weer in de container.

We moeten een tijd wachten voordat ze tijd voor ons hebben. Dan komen er twee agenten met ons mee naar de auto’s. De controle is buiten, niet in de loods, wat volgens Manfred prettig is (geen camera’s). Ze beginnen een zeer grondige controle. Ze kijken in alle kastjes en tassen en het dak moet omhoog. Na deze menselijke check is het wachten op de drugshonden. We pakken de tuinstoelen erbij. De agenten hebben ook niets anders te doen dan wachten.

Dit lijkt niet efficiënt, en dat is het ook niet. Die drugshonden hebben ze niet hier op de haven, die wonen een haven verderop. Ze hebben die drugshonden wel iedere dag nodig. En om ze ook echt te kunnen gebruiken moeten de speciale honden-agenten er bij zijn om de honden te begeleiden en instructies te geven. Er is geen proces om zowel de honden als hun begeleiders op de gewenste momenten samen op een plek te krijgen. *Zucht*. Dan begrijpen we wel dat Manfred af en toe wat uit zijn hum raakt. Die is ondertussen trouwens druk bezig om mensen te begroeten en chocolaatjes enzo te geven.

Uiteindelijk worden onze auto’s goedgekeurd (dankzij de chocola?) en wordt onze container open gemaakt. Er wordt een opritje afgeleverd en daar gaan we dan: we rijden de auto’s naar binnen. Het past vrij precies, en Kwin moet via de achterdeur de auto uit. Het vastbinden van de auto’s gebeurt door op iedere hoek een dubbel touw naar de zijkant van de container te doen. Vervolgens wordt dat touw gespannen door de stok erin te steken en rondjes te draaien. Een simpele maar zeer effectieve methode. Om helemaal achterin de container voor onze auto te komen moeten de sjor-mannetjes ook weer door onze auto heen klimmen.

Spannend hoor, of dit allemaal goed zal gaan! Er is een mannetje van de verzekering om foto’s te maken van de auto’s en de container, om ons eraan te herinneren dat het ook best eens mis zou kunnen gaan. Dan wordt de container gesloten en gesealed. Nog een paar stickers erop (waar Manfred ons extra voor laat betalen) en klaar is kees. We nemen zelf ook wat foto’s, hopen op het beste en vertrekken uit de haven.

De eerste stop is natuurlijk de supermarkt. Daar handelen we de financiën af met Manfred, en ontmoeten we Frits met zijn vriendin (zijn ex-vrouw heeft hem na zo’n 30 jaar huwelijk op straat gezet, en wat ís hij blij dat hij er vanaf is, vertelt hij even later ongevraagd). Frits is de kapitein van de zeilboot waarbij we hebben gereserveerd. Hij heeft een catamaran waarmee hij toeristen tussen Cartagena en Panama City vervoert via de San Blas eilanden. Bij kennismaking staat hij uitgebreid op om mijn hand te kussen. Getver, wat fout. We hopen dat dit aan de algemene eigenzinnigheid van kapiteins ligt. Frits en vriendin zijn blij dat wij zulke jonge gezellige mensen zijn, zeggen ze. Oh? Later zullen we begrijpen waarom.

De kapitein laat plaatjes zien van de hutten die wij willen hebben. Er zijn ook slaapplekken in de lobby verkrijgbaar, maar dat lijkt ons wel heel weinig privacy. Deze eersteklas hutten zijn duurder maar veel beter geschikt voor luxepaardjes lijkt ons. We leveren ons paspoort in bij Manfred, die de controles regelt voor Frits. Hmmm, interessant. Kennelijk hoeven we er niet bij te zijn om een stempel in ons paspoort te krijgen dat we het land verlaten.

Met de overtocht van zowel de auto’s als de personen geregeld keren we terug naar huis. We hangen brak van het vroege opstaan (bedankt Manfred) rond in het brakke appartement (bedankt Manfred). Hij kan dan misschien goed havenmannetje spelen, we zijn geen fan.

De volgende ochtend pakken we de boel in en gaan bij de steiger wachten waar Frits ons op komt halen. Hij is te laat. Uiteindelijk komt een van zijn bootjongens ons ophalen in een dingy. Deze lijkt uit de dood herrezen, met matig succes. Er is meer lijm dan boot te zien, en de rand is verdacht zacht. Moeten we hier met onze bagage in stappen? Ja, dat lijkt duidelijk de bedoeling. Nou ja, voorruit. We stappen met onze koffers aan boord, en hopen dat dit motorbootje niet representatief is voor de hoofdboot.

Helaas. De dingy lijkt er nog relatief genadig vanaf gekomen te zijn vergeleken met de staat van de catamaran. Zij was lang, lang geleden een luxe schoonheid. Nu is zij getekend door weer en wind. En mogelijke mishandeling. Zoals wel vaker bij huiselijk geweld zit de ergste schade van binnen. Hier heeft Frits de zaag ter hand genomen, en de vier tweepersoons cabines van weleer omgetoverd tot een ware tourist trap. Deze reis zijn er niet acht maar vijftien toeristen aan boord. Exclusief vijf bemanning.

In de lobby is een van de twee ronde tafels omgetoverd tot slaapbank (hoppa, drie betalende klanten extra), en achter beide tafels is nog een extra bed gemaakt. Een van de hutten plus de hal is omgezaagd tot 8 stapelbedden. We vermoeden dat onze hut vroeger een eigen badkamer had, gezien de lamellendeur naar de zijkant. Die kan nu niet meer open omdat het uiteinde van een van de stapelbedden daar doorloopt.

Onze eersteklas hutten zijn onherkenbaar van de mooie strakke foto’s in de folder. Die van ons heeft wel een sluitende deur. De hut van Philip en Nadine heeft een ronde deur in een rechthoekige deuropening. De deur kan ook niet echt goed dicht. En als hij eenmaal dicht zit niet goed meer open. Zelfs met een dichte deur zitten er nog grote open gaten en ze zitten naast de twee wc’s/douches. Super luxe dus. Nu begrijpen we waarom Frits & Vriendin zo blij waren dat we nog relatief jong zijn: jongeren die backpacken zullen minder snel klagen over dit soort omstandigheden.

Op de boot zetten we het wachten van op de steiger voort. We observeren de mooie rustige haven. Dan gaan ze eindelijk het anker lichten. Er ontstaat paniek onder de crew. Vriendin lijkt te hebben overdreven toen ze in de supermarkt zei dat zij natuurlijk ook kon zeilen. Ze lijkt de handelingen maar nauwelijks onder controle te hebben. Zij en Frits schreeuwen heen en weer (zij paniek, hij ongeduld) en ze is niet in staat om duidelijke instructies te geven aan de drie bemanningsleden. Die op proef zijn. Vriendin spreekt Duits en een paar woorden Spaans. De bemanning alleen Spaans en wat Engels.

Kwins tenen groeien helemaal krom. Ik zou zelf ook liever hem aan het stuur hebben. Maar het lukt ze uiteindelijk, en dan gaan we op weg. Naar het benzinestation. Sjongejonge, was dat nou niet typisch iets geweest wat hij als voorbereiding vast had kunnen doen? Bij het aanleggen wordt door omstanders een botsing met een andere boot voorkomen die daar al stil aan de steiger lag. We botsen wel tegen de steiger aan. Frits loopt tijdens het tanken van benzine en water luidruchtig te klagen over waarom dit soort dingen altijd zo lang moeten duren. *Zucht*

Voordat we daar vertrekken is er een safety briefing. Frits speelt de popi kapitein. Je kent het wel. Kapitein maakt foute grap. Niemand lacht. Kapitein klaagt over dat de rest geen gevoel voor humor heeft. Op zich al ergerlijk, maar het schiet ons pas echt in het verkeerde keelgat wanneer hij ook niet serieus op de veiligheid in gaat.

  • Frits: Any questions?
  • Merel: Are there safety boats on board?
  • Frits: We won’t need them.
  • Merel: Ehm, we always hope so, but it’s good to have them. Do you have them.

Nou, hij heeft ze. Kwin en ik checken later nog wel even onder de hoezen of ze nog een geldig certificaat hebben. Dat is zo. Frits deelt vervolgens als de kerstman nachtdiensten uit. Dan mag je twee uur lang midden in de nacht op zijn kapiteinsstoel zitten! (Do we have to? No, you gét to!) En dan moet je hem wakker maken als je denkt iets te zien. Lampen van een containerschip bijvoorbeeld. Iemand vraagt wanneer je hem dan precies moet waarschuwen. O gewoon, als je denkt dat het nodig is. En hij zelf iedere 1,5 uur even komen kijken, dus dat komt helemaal goed. Hmmmm. Containerschepen varen overigens knoepert hard, en kunnen binnen tien minuten nadat je voor het eerst de lampjes zag over je heengevaren zijn.

We overwegen serieus om nog van boord te gaan. Als er al paniek in de crew is bij het anker ophalen in een rustige haven dan geeft dat weinig vertrouwen voor een oversteek op open zee. Bovendien zit Frits op werkelijk alle mogelijke vlakken in onze irritatiezone. Maar goed, hij heeft dit al veel vaker gedaan en hij leeft overduidelijk nog, dus hij kan het kennelijk wel.

Besluiten toch maar te blijven, en uiteindelijk vertrekken we dan ook echt richting Centraal Amerika. De eerste 24 uur bestaan uit de oversteek naar de San Blas eilanden. Dat betekent open water en golven. De uren verstrijken. Het wordt steeds stiller. Mensen worden steeds bleker. De eerste gaat over de rand hangen.

‘s Avonds is er bruine bonenprut met ei. Het is verrassend lekker. Ik doe erg mijn best, maar halverwege mijn tweede bakje prut moet ik rennen naar de rand. Bah. Een lange avond van vechten tegen de misselijkheid en overgeven begint. Liggen helpt, en bijna alle toeristen liggen bleekjes over de boot gedrapeerd. Kwin de zeeman kan uiteraard gewoon blijven zitten en heeft zijn eten netjes binnen gehouden.

Kwin gaat naar bed. Dat vind ik een bijzonder goed plan, maar ik moet nog een tijdje moed verzamelen om op te staan. Naar binnen gaan op een hevig deinende boot met een protesterende maag is zelden een goed idee. De eerste keer red ik het net tot het toilet voordat ik moet overgeven. Op de terugweg red ik het net naar buiten voordat ik moet overgeven. Lachen joh, dat zeilen. Na een tweede periode van moed verzamelen waag ik mij weer naar binnen op weg naar de hut. Ik red het tot aan vlak voor onze deur. Dan moet ik rennen om buiten de reling te halen. De tweede keer doe ik het nog rustiger aan. Steeds zittend een stukje verder schuiven en dan weer rust houden. Dit keer lukt het, en ga ik snel horizontaal op bed. Daar blijf ik liggen tot het avondeten de volgende dag. We zijn dan eindelijk in rustiger water. Kwin bekent dat zelfs hij niet in topconditie was, ‘al moet je dat niet overdrijven’ volgens hem. Onrechtvaardig, niet?

Een paar dagen later zullen we van een van de mensen die buiten zijn gebleven die nacht horen dat er urenlang niemand op wacht heeft gezeten. Iedereen was misselijk, inclusief de drie bemanningsleden. Zaten wij ons druk te maken over het binnenhouden van voedsel, terwijl we ook overvaren en vermaald hadden kunnen worden door een containerschip. Hadden we dit eerder geweten, dan was er mogelijk sprake geweest van fysiek geweld tegen Frits de ‘kapitein’. Kansloze rukker.

Het is bijzonder spijtig dat de enige vraag naar dit soort zeil-overtochten kennelijk in de backpacker regionen zit. Want als je hier op een mooie, schone zeilboot zou zitten met een competente kapitein en crew, dan zou dit een ronduit geweldige ervaring zijn. De San Blas eilanden zijn erg bijzonder om doorheen te varen. Het is precies zoals een tropisch eiland hoort te zijn volgens de Bounty reclames: klein, wit strand, palmbomen, zon. Met mooi koraal en helder water.

Het is echt bizar hoe klein een eiland kan zijn. De meeste San Blas eilanden zijn nog geen half voetbalveld, en komen maar net boven het water uit. Een goede golf of een kleine stijging van de zeespiegel en foetsie! Deze eilandengroep staat onder soort van soeverein bestuur van de Kuma indianen die hier van oudsher wonen. Hoe mooi en bijzonder ook, wij worden al claustrofobisch bij de gedacht om op zo’n postzegel te wonen. Zelfs de Kuma’s schijnen elkaar af te wisselen. Het verbaast ons weinig dat er een groot alcoholprobleem is op de eilanden.

Zonder de golven van de eerste avond is de tweede avondmaaltijd een gezellige aangelegenheid. Opeens is iedereen spraakzaam en worden er namen en verhalen uitgewisseld. We zijn wel vrijwel de oudsten daar. De gesprekken neigen wat meer richting ‘en wat drink jij als je uitgaat’ dan naar ‘hoe sta jij in het leven’. Niet erg en zeker gezellig, maar we voelen dat leeftijdsverschil van een jaar of 10 toch wel. We spenderen nog twee dagen tussen de eilanden met in de zon zitten, kletsen, zwemmen, snorkelen en koude biertjes drinken. We bezoeken ook zwemmend en per dingy de eilanden. In sommige gevallen vragen de Kuma’s daar extra geld voor. Op een van de eilanden is een barretje en drinken we een biertje. Bijzonder om daar zo te zitten.

Ook bijzonder (fijn) om even niet bij Frits te zijn. Naast de al genoemde tekenkrommende zaken krijgt hij af en toe telefoontjes van nieuwe klanten, en dan zegt hij daarna zo hard mogelijk dingen als ‘Oh why do people insist on giving me so much money!’ Verder heeft hij de boot zo vol gepropt dat niet iedereen aan tafel kan zitten tijdens het eten. En valt het eten, wat op zich prima is, ongelooflijk tegen nadat hij daar eindeloos over heeft staan opscheppen van te voren. Hij was namelijk ook eens kok, en hij serveert het beste eten onder zeil. Het ergste is dat we dat ook nog geloven, nadat we de andere boten hebben gezien onderweg. En als we dan toch bezig zijn: waarom liggen er overal aan boord uien opgeslagen? Hij heeft zijn best gedaan, maar ze zijn bij lange na niet op gekomen.

Dit is onze samenvatting van Frits de Kapitein:

  • Kan niet zeilen (drie keer aangelegd bij steiger, drie keer tegen steiger gebotst, waarvan een keer serieuze schade)
  • Geen leiderschap (bij iedere manoeuvre paniekerig geschreeuw tussen de crew)
  • Geen aandacht voor veiligheid (geen nachtwacht op drukbevaren route)
  • Compleet gebrek aan professionaliteit (bv bij afrekenen voortdurend uitroepen van ‘oh yess give me more money, I like money’)
  • Slecht verwachtingsmanagement (zonder disclaimer van ‘dit zijn de foto’s zoals de boot er tien jaar geleden uitzag voordat ik er de zaag in zette’ is de aankomst op de boot op zijn minst nogal een aanfluiting)
  • Gebrek aan decorum (trek op zijn minst eens een schone zwembroek aan, en bij voorkeur iets over je hangbuik)
  • Kinderachtig ventje (zodra je iets vraagt wat hem niet uitkomt negeert hij je)

Wij denken dat Frits nog een keer uit pure weerzin overboord wordt gegooid. Prima.

We vinden het ondanks de prachtige eilanden dan ook niet erg wanneer de laatste dag aanbreekt. Er zijn een aantal eilanden dichter bij Panama die iets groter zijn en bijna geheel bedekt met kleine dorpjes. Al iets minder claustrofobisch dan de mini-paradijsjes verderop, maar het trekt ons nog steeds niet. Los van de verveling zal het ook geen makkelijk bestaan zijn om alleen van de visvangst en de kokosnoot oogst te leven. Er staan dan wel heel veel palmbomen op al die eilanden, maar veel zijn die noten niet waard. Ongeveer een kwartje, als we het goed hebben onthouden. Wat daar wel weer grappig aan is, is dat je met kokosnoten kunt betalen. Die moet je dan wel elders vandaan hebben gehaald, want iedere kokosnoot op de San Blas eilanden is van iemand. Mag je dus ook nooit oppakken als je op zo’n eiland bent.

Het van boord gaan is een heel proces. Om de een of andere reden (we vermoeden geld) is het niet toegestaan om aan te leggen bij de steiger op het vaste land om mensen uit te laden. Omdat we een motor aan boord hebben (onze Duitser die eerst misschien in onze container mee zou gaan) leggen we wel eerst aan bij de steiger. Tot intense ergernis van Kwin vaart Frits precies verkeerd aan gezien de windrichting, en we botsen dan ook een paar keer goed met de zijkant tegen de kant. Flinke deuk. Dan wordt de motor afgeladen. En dan varen we weer weg, om vervolgens opgehaald te worden door een bootje van de Kuma’s. Dit bootje wordt ernstig overladen met alle mensen aan boord plus hun baggage. En vaart vervolgens weer naar precies diezelfde steiger weer we eerst aangelegd waren. Uiteraard moet iedere passagier voor deze service betalen, US$5,–.

Het schijnt dat soms de weg vanaf daar niet helemaal begaanbaar is en dat die bootjes nog een stuk een rivier op moeten varen, maar zoals het nu ging leek het een pietsie zinloos. We vinden het niet erg als de Kuma’s ook wat verdienen aan deze handel, maar vraag dan gewoon een bedrag per persoon om bij de steiger uit te stappen.

We betalen het boottochtje, en worden vervolgens in een paar jeeps gepropt om door de jungle vervoert te worden naar Panama City. Dit blijkt een echte achtbaan. Niet alleen omdat de bestuurder de Latijns-Amerikaanse rijstijl eer aan doet, met onder andere een biertje bij een korte stop bij de supermarkt. Maar ook omdat de weg letterlijk op en neer gaat als een achtbaan. Een hele bijzondere jungletocht! Naar beneden laat hij de auto flink vaart maken om vervolgens aan de andere kant weer omhoog te komen. Zal zeker meer dan 20% zijn geweest. Met de fiets waren we gaan lopen.

Het landschap is ook uitbundig. Nog jungle-iger dan Colombia, met veel felle kleuren. Echt ‘old school jungle’, zoals in de films. Het verbaast ons helemaal niets meer dat de Panamericana niet door loopt over deze Darian Gap. Zuid en Centraal Amerika zitten dan wel aan elkaar vast, begaanbaar is het zeker niet. Mooi wel.

We laten ons met vier Zwitsers afzetten (ja, we hebben op de boot twee extra Zwitserse vrienden opgelopen) in het centrum van Panama City. Dat is een mooi oud centrum met allemaal koloniale gebouwen. Het hotel dat we op het oog hebben blijkt geen ideale prijs/kwaliteit verhouding te hebben, en we gaan met z’n zessen op stap om een andere slaapplek te zoeken. Het oude centrum lijkt drie varianten te hebben: heel duur, goedkoop met bijpassende kamers en redelijk geprijsd maar vol. Na de vochtige lakens en plakkerige vloeren op de boot zijn Kwin en ik helemaal klaar voor wat luxe. Philip en Nadine en onze nieuwe Zwitserse vrienden van de boot geven de voorkeur aan een goede prijs. We besluiten op te splitsen en ‘s avonds samen te gaan eten.

Het eerste wat we met z’n tweetjes doen is even rustig lunchen. Er is een koffietentje aan een plein dat er veelbelovend uit ziet. Het wordt gerund door Amerikanen. Ze blijken ook kamers te hebben, maar helaas zitten hun goedkopere kamers vol. Ze hebben wel een perfect geschuimde cappuccino en een lekker stuk quiche beschikbaar. En wifi zodat we onze hotelopties kunnen checken. Na dit culinaire hoogstandje lopen we naar het nieuwe centrum. Daar vinden we na het nodige zoeken precies de oase van strakke stijl en frisse lakens waar we zo naar verlangen. Ja! De zoute zeelucht van ons af douchen en verse kleren aantrekken. Goddelijk. Hebben ze ook nog wifi, en wij zijn in het paradijs.

Opgefrist wandelen we weer naar het oude centrum, en drinken met z’n allen een biertje op een dakterras van een supersjiek hotel. Het uitzicht over de baai en de skyline van het nieuwe centrum is prachtig. We krijgen er gratis een ondergaand zonnetje bij. Dan is het hoog tijd voor wat voedsel, en we vinden een prima tent waar we buiten kunnen zitten. Gezellig op de stoep naast de straat. Gelukkig is die nu afgezet wegens werkzaamheden dus zitten we lekker rustig. We bestellen allemaal een hamburger met frietjes en een limonada.

We hebben nog geen bericht gekregen dat de auto is aangekomen, dus we spreken voor de volgende avond weer af met onze vriendjes. We slapen heerlijk uit en nemen een taxi naar het grote winkelcentrum. Daar hangen we wat rond en doen wat inkopen. Het is echt een extreem Amerikaans winkelcentrum. Raar hoor, zo naast de jungle. Dan is het weer tijd voor een goed kopje cappuccino en nemen we een taxi naar het oude centrum. De rest van de middag ontspannen we met een boekje op onze hotelkamer. We kunnen wel wat mentale rust gebruiken na het doorstaan van de vele Frits-ergernissen. Ook lekker om weer even gewoon samen te zijn, zonder de hele tijd sociaal te hoeven doen.

‘s Avonds vertrekken we te laat voor onze afspraak. En hebben we de loopafstand verkeerd ingeschat. En lopen we verkeerd. Al met al zijn we 25 minuten te laat bij de ingang van het Hard Rock hotel. Het plan is om daar een drankje te doen in de bar die hopelijk ergens bovenin het hotel zit, en daarna in het Hard Rock Café wat te eten. Onze Zwitsers zijn nergens te bekennen. Tja, we zijn dan ook te laat. We zoeken het hotel af naar de verschillende bars, maar kunnen ze niet vinden. Er blijkt daar ook geen Hard Rock Café te zijn. Well crap. We doen nog een drankje in de lobby en hopen dat ze van waar ze ook zijn nog even langslopen om de laatkomers op te halen. Helaas!

Bijna een uur later gaan we dan maar op zoek naar een eigen eetgelegenheid. We lopen het winkelcentrum naast het hotel in. Daar staan bordjes richting het Hard Rock Café. Aha! Waarom dat café elders moet zijn dan het hotel is ons een raadsel, maar het mysterie van ‘waar zijn de Zwitsers’ is wel opgelost. We schuiven toch nog maar aan, hoewel zij al druk aan de hoofdmaaltijd zitten. Hier krijgen we spijt van. Het is namelijk bandjes-competitie avond. Normaal gesproken schijnt hier een voorselectie voor te zijn. Met deze ene inschrijving was dat echter niet van toepassing.

Aan de extravagante kledingkeuze ligt het niet. Aan de rest wel. Weet je nog, Johnny Hapache in een crêperie in Frankrijk? Wat een onwaarschijnlijke teringherrie dat was? Well Johnny, eat your heart out. Het geluidsniveau overschrijdt iedere redelijkheid. De fysieke pijngrens wordt ruim overschreden en ook de mentale pijnmeter staat in het rood. We denken dat het niet toevallig is dat de bediening oordopjes in heeft. Het eten is aardig (zij het wat aan de prijs), maar we schuiven het zo snel mogelijk naar binnen om daar zo snel mogelijk weer weg te kunnen.

Er is een harde kern fans van deze band die enthousiast met spanborden staan te luisteren. Persoonlijk vind ik het wreed om als vriendengroep je muziekaal onderontwikkelde rockster-wannabees op die manier in de waan te laten. We hebben het niet gecontroleerd tijdens onze vlucht naar buiten, maar we weten zeker dat die vrienden óf ernstige gehoorschade óf oordopjes hebben. Waarschijnlijk allebei. Dit soort marteling zou geen enkel podium toe mogen laten. Wij gaan nooit meer naar een Hard Rock Café.

Buiten spreken we met nog piepende oren af om morgen naar Colon te gaan. We hebben nog geen officiële bevestiging gezien, maar op een app kunnen we zien dat onze boot al in de haven is geweest. Hoogstwaarschijnlijk staat onze container dus op de kade. We spreken af bij het treinstation. Er is en trein die helemaal langs het panama kanaal gaat. Dat belooft een mooi ritje te worden.

Die ochtend word ik misselijk wakker. Het is even de vraag of het gaat lukken om naar beneden te lopen. Terwijl Kwin een taxi roept kots ik naast de ingang van het hotel achter de airco installatie. Heel romantisch. Dat lijkt de taxichauffeur niet gezien te hebben, want we mogen gewoon instappen en hij kijkt niet bezorgd. Ik red het net tot het treinstation. Daar ren ik naar de toiletten. Kwin koopt ondertussen de kaartjes. Philip en Nadine zitten al in de trein.

De treinrit is inderdaad prachtig. Er is uitzicht op het Panama kanaal en we rijden dwars door de jungle langs het kanaal. Helaas spendeer ik het grootste deel van de treinrit op het toilet. Het zou natuurlijk ook iets anders kunnen zijn, maar wij geven het Hard Rock Café graag de schuld.

Nadine heeft al een hotel voor ons vieren gereserveerd in Colon. De stad voldoet aan alle verwachtingen: je kunt in het daglicht al zien dat je hier NIET in het donker in je eentje over straat wilt lopen. Of met z’n tweeën. Of überhaupt. De trein is bizar vroeg vertrokken, dus we komen nog voor 9 uur ‘s ochtends aan. Ik red het weer net in de taxi en tijdens het inchecken. Daarna neem ik mijn intrek in de badkamer.

De anderen gaan op pad om de auto’s te bevrijden van de haven. De eerste stap is het betalen van Seaboard, onze verscheper. Dus nemen ze een taxi naar het kantoor. Daar staan ze wat in de rij, waarna het juiste papier gezocht moet worden. Dat wordt gestempeld en ze krijgen een papiertje met het rekeningnummer en het bedrag. Vervolgens lopen ze naar de bank een stukje verderop. Daar storten ze het geld en krijgen ze een stortingsbewijs. Daarmee lopen ze weer terug naar het Seaboard kantoor. Nu moeten ze uiteraard bij een ander loket zijn. De vrachtbrief wordt gestempeld. En met die simpele stappen zijn we klaar voor de douane.

De douane is natuurlijk elders in een tax free zone. De drie musketiers komen hierdoor langs het hotel, en eten daar in de buurt wat lunch. Nadine voelt zich ondertussen ook niet meer zo jovel, en zij keert terug naar hotel. Met de dames op bed strijden de mannen dapper verder en ze gaan naar de douane.

Hier moeten de nodige papierzaken geregeld worden. Net als bij iedere grens moeten we een autopaspoort krijgen voor in Panama. Een verzekering is hier weer verplicht. Die is uiteraard niet verkrijgbaar bij de douane. Ze nemen een taxi naar een winkelcentrum. Kwin koopt een verzekering. Philip heeft die niet nodig omdat zij voor de meeste landen al een internationale verzekering hebben geregeld van te voren.

Terug bij de douane blijkt dat ze daar de internationale verzekering niet accepteren. Er staat heel duidelijk op Philips verzekeringspapieren dat Panama gedekt wordt. Maar het is geen lokale verzekering, dus ze blijven het weigeren. Dus stappen de heren weer in de taxi naar het winkelcentrum en koopt ook Philip een lokale verzekering. Waarna ze weer in de taxi stappen naar de douane. Nu is de douane wel tevreden en krijgen ze allebei een autopaspoort.

Tijd voor stap drie in het proces: het havenkantoor. Daar moet de haven betaald worden. Onze helden laten de bestempelde vrachtbrief zien. Nou, zo’n vreemd document heeft de mevrouw nog nóóit gezien. Nee, echt geen idee. Collega, weet jij hoe het zit? Nee ook niet hè? Kijk die vrachtwagenchauffeurs hebben allemaal een geel briefje, hebben jullie dat niet ook nodig? Ik weet het niet hoor, ga eerst maar eens langs die andere loketten verderop.

Licht verontrust beginnen Kwin en Philip de jacht naar zo’n geel briefje. Er zijn vier loketten. Bij ieder loket scoren ze een nieuw stempel op de vrachtbrief, onder andere voor dat de auto niet geïmporteerd wordt in Panama. Maar geen geel briefje. Omdat de loketten op zijn gaan ze toch maar weer terug naar de mevrouw. Even kijken wat er gebeurt voordat ze weer helemaal terug gaan naar Seaboard om een ‘papel amarillo’ te vragen.

Op mysterieuze wijze hebben de vier stempels op de vrachtbrief dit document getransformeerd tot een volkomen logisch en rechtsgeldig briefje. De mevrouw weet opeens feilloos wat er nu moet gebeuren en hoeveel dat kost. Kwin en Philip zijn blij verrast. De verbazing is minimaal. Dit keer kan het bedrag voor het unloaden direct aan het loket betaald worden, waarna ze nog een stempel rijker zijn.

Met alle openstaande rekeningen betaald en alle papieren verzameld gaan ze terug naar de ingang van de haven. Daar moeten ze zich officieel inschrijven en hun veiligheidshesjes aantrekken. Ze worden in een busje geladen om naar de unloading en drugsinspectie te gaan. Daar leveren ze alle relevante papieren in. Nu moet de container worden gezocht. Dit gaat vrij snel, binnen een uur wordt hij bij het douanekantoortje afgeleverd.

Voor het uitladen is er een mannetje met een betonschaar, een mannetje van de verzekering met een fototoestel, een mannetje die een oprijplank voor de deur legt en twee mannetjes voor het sjorren aan de touwen. De betonschaar rekent af met het zegel en de deur gaat open. De twee spanbanden die de achterwielen van de Landcruiser vasthielden zijn gebroken. Oh dear. De verzekeringsman begint enthousiast te klikken met zijn toestel. Het is even heel spannend. Bij nadere inspectie blijkt dat de jeep naar voren is geschoven, maar nét niet tegen onze Ford aan. Kwin ademt weer rustig uit. Crisis averted.

Philip en Kwin maken zelf de touwen los, en rijden de auto’s eruit. Nu is het wachten op de drugscontrole met de honden. Ruim een half uur later arriveren ze en nog een half uur later zijn de auto’s goedgekeurd. Dit gaat uiteraard gepaard met een speciaal papiertje met speciaal stempel. De heren geven de hulptroepen een al of niet vrijwillige tip. Behalve drugsvrij moeten de auto’s ook bacterievrij zijn, en ze rijden naar het sproeistation voor de desinfectie. Kost een tientje, maar dan heb je ook je allerlaatste benodigde papier-met-stempel te pakken.

De laatste stap voor het bevrijden van de auto’s is het verlaten van de haven. Kwin en Philip tonen de autopaspoorten en verzekeringen en leveren verschillende gestempelde papiertjes in.

En voila! Just like that zijn de auto’s geheel legaal de haven uit en Panama in. En dat alles in een luttele 12 uur.

De heren komen trots hun prestatie melden aan de dames in het hotel. Wij zijn gepast onder de indruk. Een mooie afsluiting van de dag is wel aan de orde met een diner. Het enige open restaurant is de McDonalds. Ik blijf nog even rustig voor pampus liggen in het hotel. Kwin zoekt voor de Mac nog naar iets simpels te eten voor mij, maar het rondje dat hij om het blok van het hotel loopt is zodanig griezelig en zonder resultaat dat hij het op moet geven. Morgen gaan we snel weg uit Colon.

Tijd voor Centraal Amerika!

 

This entry was posted in Colombia, Panama, Panamericana. Bookmark the permalink.