Centraal Amerika in 21 dagen

We zijn van plan om het grootste deel van de in Colombia verloren tijd in te halen in Centraal Amerika. We willen graag nog genoeg tijd hebben om de National Parks in Amerika te bezoeken. Omdat onze planning al niet overdreven ruim was betekent dit dat we de komende tijd meer een roadtrip dan een vakantie hebben: veel kilometers, weinig bezienswaardigheden. Prima, we kunnen wel een paar weken zonder highlights.

Panama
De ochtend na het succesverhaal van de heren op de haven verlaten we gezwind het hotel om weer onze intrek te nemen in ons oude vertrouwde busje. We hebben elkaar gemist. Maar het is ook tijd om afscheid te nemen: Philip en Nadine zijn van plan om ergens in een Nationaal Park te gaan kamperen, terwijl wij snel op weg gaan naar Costa Rica. Raar om na zo’n lange tijd samen optrekken weer uit elkaar te gaan. Ook wel weer mooi om weer met z’n tweetjes te zijn. Sowieso fijn, en het is toch ook niet makkelijk om steeds met vier mensen beslissingen te maken. Zeker niet in moeilijke situaties zoals in Colombia.

We zijn dus blij om vogelvrij het unheimische Colon te verlaten. De eerste stop is stiekem toch een highlight: de sluizen van het Panama kanaal. Wanneer we aankomen gaat er net een cruiseship doorheen. Bijzonder, want niet veel schepen van deze grootte varen deze route. Het is niet bepaald gratis om door de sluizen te gaan. Dat begrijp je ook wel als je dat bouwwerk ziet. De originele plannen waren om het land helemaal af te graven en een kanaal zonder sluizen te hebben. Dat bleek bij nadere inspectie wat optimistisch gezien de hoeveelheid af te graven aarde. Nu gaan de schepen aan beide kanten van het kanaal door drie sluizen. Ze zijn erop gebouwd om precies te passen, en dan hebben we het over centimeters. Iedere boot wordt met 4 locomotieven (twee voor, twee achter) door iedere sluis getrokken. Boten én treinen, Kwin is in de zevende hemel. 🙂

Na een tijdje dit bijzondere bouwwerk in actie te hebben gezien trekken we verder, op weg naar een camping. Die blijkt er ook daadwerkelijk te zijn, helemaal inclusief gras en aansluitingen. ‘s Avonds komen we erachter dat de enige douche achter het WC hokje is, zonder hokje er omheen. Oh well. Het gevoel van blijdschap overheerst. We zijn weer op pad! En niet afhankelijk van Manfreds en Fritsen. ‘s Avonds krijgen we nog een verrassing: de landcruiser van Philip en Nadine rijdt ook de camping op. Zij blijken ook te genieten van het gevoel van vrijheid op de weg in eigen auto, en zijn toch wat verder doorgereden dan gepland.

Costa Rica
De volgende dag is het hoog tijd voor een grensovergang. We gaan Costa Rica in. Het is een kleine chaos bij de douane van Panama. Hoewel er drie banen langs de douane lopen, staan deze allemaal stil. Een aantal vrachtwagens lijkt te hebben besloten daar vast te parkeren voordat ze hun papieren geregeld hebben. Het is ook even zoeken naar de juiste mensen en loketten. Sommigen lopen met een badge om hun nek rond. Maar uiteindelijk hebben we onze persoonlijke stempels en autopapieren om het land te verlaten. En dan hè. Hoe kom je langs die douane? Een agent geeft ons de tip om een stukje om te rijden, en dan via het winkelcentrum 500 meter verderop door te steken naar Costa Rica. Typisch, maar het werkt en we kunnen aan de andere kant volgens het gebruikelijke proces (verschillende loketten, verschillende stempels) onze papieren regelen. Iets duurder dan onze vorige grenzen, maar niet buitensporig.

De omgeving is prachtig langs de weg. We hebben weer coordinaten van een camping, en gaan daarvoor iets van de route af. We komen langs een autowasstraat (nou ja, een plek waar iemand een waterslang op de rivier heeft aangesloten) met een bar ernaast. We vieren onze aankomst in Costa Rica met een frisse wasbeurt voor de auto en een koud biertje voor ons. Na dit bijzonder aangename intermezzo gaan we op zoek naar de camping. Deze ligt in een indrukwekkend jungle gebied. Het is echt ongelooflijk uitbundig in flora en fauna. Alles heeft felle kleuren en alles maakt geluid. Alsof dit gebied een extra portie leven heeft gekregen. We mogen van de Duitse eigenaar ons stroomsnoer in de keuken inpluggen en iets verderop is een hokje met douche en WC. Ze zijn hier wat meer ingericht op tenten en huisjes, maar ook met camper is het een bijzondere jungle-ervaring.

We vreten de volgende dag weer wat kilometers. Ons doel is dit keer een dorpje aan het strand, Playa Matapalo. We vinden met de coordinaten van internet weer een camping, dit keer zonder aansluitingen. Door de palmbomen zien we het strand al liggen. We bakken wat pancakes voor de lunch (de eerste keer dat we er weer zin in hebben na ons pancake dieet in Colombia), en vertrekken dan voor een strandwandeling. Er is een surfwedstrijd bezig. Dat verbaast ons niets. Het is weer een wonderschone plek, met vanaf het zandstrand uitzicht op de blauwe zee en de groene jungle-heuvels. Er zijn ook veel hotels en cafés in dit dorp, en aardig wat toeristen. We drinken nog een biertje en keren huiswaarts. En wat schetst onze verbazing: een Toyota Landcruiser op de camping! Wederom zeggen we Philip en Nadine gedag. 🙂

Na het strand staat een Nationaal Park op de agenda. We kiezen Rincón de la Vieja Parque National. De rit naar het Ranger station waar je kunt kamperen is iets spannender dan gewenst: de weg is niet in topconditie. We hopen gezien het wegdek van gedroogde modder dat het niet gaat regenen, en we keren niet om omdat het daar wat krap voor is. Onze Super Duty Ford slaat zich wederom kranig door de geboden uitdaging heen, en zet ons keurig af voor de ranger. Aardige vent, en we staat op een mooi grasveld. Geen voorzieningen verder uiteraard, maar we zijn goed ingeslagen en opgeladen vertrokken. We koken en eten op de veranda van het ranger station, en gebruiken voor het eerst sinds tijden onze anti-muggen spray.

De volgende dag maken we een wandeling door het park. Het einddoel zijn de hot springs, maar we maken een ommetje naar een erg idyllisch stroompje met watervalletje. We zien een waterslang zich langzaam naar beneden laten glijden. Een ander stel gaat hier zwemmen, maar wij wachten even tot het warmere water bij de hot springs. Kwin weekt een tijdje in het warme bad, maar na de waterslang houd ik het even bij pootje baden. We wandelen weer terug en ontspannen in alle rust op de camping met een boekje en een biertje. Het oordel is unaniem dat het bos erg mooi is, maar niet zo spectaculair jungle-achtig als het landschap van de eerste nacht.

Nicaragua
Hoog tijd dus om het land te verlaten. De volgende dag rijden we Nicaragua in. Kwin heeft in de Lonely Planet gelezen dat er een chocoladefabriek is in Matagalpa. Het spreekt voor zich dat we op zoek gaan naar een camping daar in de buurt, maar we kunnen niets vinden. In ieder geval niet online, en het is wel wat om. We besluiten toch door te rijden naar Estelí. Daar staat wel een camping aangegeven. Daar aangekomen blijkt dit echter een privé club waar bovendien de voorbereidingen voor een bruiloft in volle gang zijn. Hmmm.

We rijden terug richting het centrum van het stadje, en vinden een hotel met afgesloten parkeergarage. We mogen niet op de parkeerplaats kamperen, maar de kamerprijs is bijzonder redelijk. Er zit dan ook geen peertje in de badkamerlamp, maar je kunt niet alles hebben. We lopen nog even naar het centrum om wat te eten te scoren. Dit blijkt een goede zet. Kwin heeft dan misschien de chocola misgelopen, maar hier vinden we the next best thing: onwaarschijnlijk malse steak op een leuk terrasje.

Honduras
Na deze grondige verkenning van Nicaragua richten wij ons op Honduras. Hier vallen de wegen een beetje tegen. Meer gaten dan tot nu toe. Het land geeft vanaf de panamericana een wat armere indruk dan Nicaragua. We horen ook wat verhalen over de snelweg die we om El Salvador heen willen nemen. Die schijnt vrij plotseling een 70 kilometer lang karrespoor te worden ergens tussendoor. Hoewel El Salvador wat onrustig zou zijn op het moment (veel criminaliteit) besluiten we toch ook door dat land te crossen. En omdat we nu toch bezig zijn doen we dat ook maar meteen en vestigen een nieuw record van twee grenzen op één dag.

El Salvador
Het proces om El Salvador in te komen verloopt vrij soepel. Een grote prestatie gezien hun administratie: in een van de kantoortjes liggen gigantische stapels samengebonden papierwerk. Moet allemaal nog ingevoerd worden. Ik hoop dat ze daar wat werkstudenten voor kunnen inhuren, die arme ambtenaren.

Ze lijken er zelf niet van wakker te liggen, en na het papierwerk maakt El Salvador er een feestje van voor toeristen. Een vrolijk uitgedoste jongedame heet ons welkom met een gratis toeristenpakket. Moeten we wel even op de foto, maar dan heb je ook een kaartje van het land (waarop uitgelegd staat waarom elke regio fantastisch is), een waterzak en een pen-sleutelhanger. Reuze handig.

Helaas moeten we daarna nog bij een kantoortje verderop het papierwerk voor de auto regelen. Nadat we het kantoor hebben gevonden moeten we op een bankje wachten voor een geblindeerde deur. Daar moet je op kloppen om te laten weten dat je er bent, en daarna moet je ze vooral niet lastig vallen en geduldig wachten tot ze naar buiten komen. Dan krijgen we een formulier om in te vullen. Dit is wat uitgebreider dan we tot nu toe hebben gehad, met veel vragen die (vermoedelijk) over de auto gaan. Het Spaans gaat ons petje helaas te boven. We leveren ons beste Spaans weer in en gaan verder met geduldig wachten op de uitslag.

Na enige tijd komt een man naar buiten en vraagt welke randdebiel dat formulier in heeft zitten vullen en of die überhaupt wel Spaans spreekt. Denken we, want hij sprak Spaans en wij duidelijk niet. Nu mogen we toch het kantoor in om aan zijn bureau samen het formulier in te vullen. Ik verspil nog twee kopieën van het formulier voordat het helemaal goed gaat. Want bovenaan onder ‘naam’ moet je bij ‘adres’ natuurlijk niet je eigen adres opgeven. Uiteindelijk is dat gelukt en moeten we weer buiten gaan wachten. En dan worden we toch nog goedgekeurd, ondanks onze ‘onvoldoende’ voor Spaans en Bureaucratie.

Met twee grenzen achter de kiezen is het tijd voor een tukkie. We zoeken snel na de grens een hotel op. Het is zo’n typisch motel met twee verdiepingen om een parkeerplaats heen gevouwen. We nemen een kamer, en kunnen daar genieten van het onwaarschijnlijk lelijke ‘antieke‘ meubilair. Het dorpje waar we zitten stelt niet zoveel voor, en we zijn dan ook zeer verheugd dat er een menu van een bezorg-restaurant naast ons bed hangt. We bestellen wat kip met rijst en halen er ook meteen een biertje bij via de hotel-mevrouw. En zo beleven we een heel ouderwetse avond van take-out en tv op onze antieke kamer.

Volgens de Lonely Planet mag je El Salvador niet verlaten voordat je in Santa Ana bent geweest. Om te voorkomen dat mensen later iets tegen ons zeggen in de trant van ‘mijn god was je daar zo dichtbij maar heb je dat niet gezien dat vonden wij zelf echt het mooiste van onze reis’ besluiten we daar een kopje koffie te gaan drinken voordat we Guatemala in rijden. En zo geschiedde. We vinden een leuk tentje en eten er ook meteen maar een gevulde pannenkoek. En nemen iets lekkers mee voor na de grens, om daar te kunnen vieren dat we onze tiende grens met onze Ford v8 super duty hebben overleefd.

Guatemala
De grens naar Guatemala valt op door de prachtige combinatie van strikt de regels volgen en behulpzame ‘creatieve oplossingen’. Zoals bij de meeste grenzen moeten we wat betalen voor het tijdelijke importbewijs van de auto. Maar de bankmedewerker is al naar huis (iets met Pasen), en de douane-beambten mogen ab-so-luut geen geld aannemen van toeristen. Dat is even heel anders dan hoe Kwin zich Guatemala kan herinneren van een aantal jaren terug. Toen werd er zelfs in de Lonely Planet aangereden bepaalde dollar biljetten in je paspoort te vouwen. Ze lijken hier hard bezig geweest om te corruptie tegen te gaan.

Maar goed. Wij moeten dus wat betalen, maar mogen het geld niet aan de mevrouw achter de balie geven. Deze aardige mevrouw wil ons wel graag helpen, want anders moeten we minstens tot morgen wachten. De oplossing: de mevrouw roept een andere mevrouw, en vraagt haar of ze bereid is het geld aan te nemen en morgen aan haar terug te geven als de bankmedewerker er weer is. Dat is vast niet wat de regering in gedachten had toen ze de nieuwe regels maakten voor de douanebeambten, maar wij stellen het wel zeer op prijs.

Het is even ongemakkelijk, want we moeten het geld geven aan die andere mevrouw terwijl onze balie-mevrouw uitdrukkelijk de andere kant op kijkt en we geen bonnetje krijgen. Vervolgens geeft de balie-mevrouw ons wel netjes onze papieren die je alleen krijgt als je betaald hebt. Lang leve de creatieve bureaucratie! En lang leve onze succesvolle tiende grensovergang. We verklaren onszelf tot bureaucratie professionals.

De afgelopen dagen viel het al op dat er veel mensen letterlijk op hun paasbest over straat lopen. Allemaal mooie traditionele kleding met veel felle kleuren. In Guatemala vallen we helemaal met onze neus in de boter. Volledig ongepland komen we net de avond voor Goede Vrijdag aan in Antigua Guatemala. We mogen nog net door het centrum heen rijden voordat alles wordt afgezet. In deze mooie oude stad worden namelijk op Goede Vrijdag uitgebreide processies gehouden, en worden er overal op straat kunstwerken gemaakt van zand en bloemen.

We zoeken een plekje om te parkeren om iets te gaan eten. We zoeken ook nog even naar een hotel, maar komen al snel tot de conclusie dat we het beste in ons busje langs de stoep kunnen slapen. Er zijn natuurlijk hele volksstammen die wild kamperen, maar we vinden dit zelf nogal stoer. Tot nu toe hebben we alleen als brave burgers op campings gestaan. Voordat we kunnen gaan eten moeten we eerst wat Guatamalees geld pinnen. Op weg naar het pinautomaat genieten we van alle kunstwerken in wording. Hele families zitten super geconcentreerd met verschillende kleuren zand te strooien in voorgesneden figuren.

Na wat omzwervingen voor het vinden van een pinautomaat waar onze ING passen het doen komen we uiteindelijk bij een Mexicaan terecht en eten een prima maaltijd. We hadden ook bij de McDonalds kunnen gaan eten: er zijn hier veel toeristen en die worden op hun wenken bediend. Kwin kan zich de stad en het grote plein ook nog herinneren; hij was hier zo’n 8 jaar geleden ook al eens. Er staan overal mooie oude koloniale huizen en het plein is prachtig en levendig.

Op de terugweg bewonderen we uitgebreid de kunstwerken op straat. Het is erg leuk om te zien hoe deze belangrijke kunstwerken door het hele gezin worden gemaakt. De kunst zelf is ook echt indrukwekkend. Er worden hele portretten gemaakt van een paar kleuren zaagsel. Dan lopen we terug naar ons busje voor wat welverdiende nachtrust. Het blijkt dat we de auto op precies de juiste plek hebben geparkeerd. Hij staat net na een kruising waarop alle andere richtingen ondertussen zijn afgezet voor de processies. Zo kunnen we morgen ook weer weg (hopelijk), en kunnen we het feest praktisch vanuit ons bed volgen als we willen.

De volgende ochtend staat we een beetje op tijd op. Het schijnt dat er al vanaf heel vroeg allerlei processies zijn, maar de belangrijkste moet nog komen. De laatste kunstenaars zijn nog koortsachtig aan het werk om hun patronen af te krijgen voordat de processie er overheen loopt en het weer stuk maakt. Er zijn mensen met speciale sproeiers die regelmatig water over de kunst spuiten zodat deze niet wegwaaid. Ook wordt er op de kruising een steiger gebouwd waar een cameraploeg op plaatsneemt.

Ben je niet bezig met kunst, dan ben je als local verkleed als monnik of Romein. Er zijn zelfs Romeinen te paard. De rest van het dorp en de toeristen staan langs de kant te wachten. Er wordt wat opgelezen door iemand, en er marcheren allerlei monniken langs de kunstwerken. En dan komt de grote attractie: een gigantisch soort boot, gedragen door tachtig mannen. Op de ‘boot’ liggen nog allerlei grote stenen (al zijn die wel van plastic geloof ik) en staat er een levensgrote Jezus op die een evenzogroot houten kruis achter zich aansleept. Het wordt al snel duidelijk dat het meeste toch niet van plastic is, gezien het zweet van de dragers. Ze worden ook regelmatig afgewisseld.

Deze stoet wordt gevolgd door een orkest en dan nog zo’n gevaarte. Deze is wat kleiner, heeft een Maria bovenop en wordt gedragen door vrouwen. Het trieste van deze optocht is dat ze dwars door alle mooie zaagselkunst schuifelen. Ze laten vlakken gemengd zaagsel achter in hun kielzog. Al dat werk van al die mooie figuren in een paar minuten naar de filistijnen. Daar was het natuurlijk ook voor bedoeld, maar het blijft toch zonde.

Het meest bizarre onderdeel van de processie komt na de twee stoeten van monnikken-voor-een-dag. Ze zijn nog nauwelijks de hoek om of een gigantische opruimploeg volgt in hun wake. En dan hebben we het niet alleen over wat mannetjes met een bezem. Er is een grote vuilniswagen, zo’n zandschep tractor én die mannetjes met bezems. Binnen no-time is vrijwel iedere korrel van de verminkte kunstwerken opgeruimd. Dit is voor ons niet alleen bizar omdat ze hier in Centraal Amerika hun straten beter schoon houden bij evenementen dan in Amsterdam, maar vooral omdat de sfeer van de vuilnisvrachtwagen zo sterk contrasteert met de statige processie en muziek een minuut daarvoor.

Wanneer ook de processie van vuilnismannen voorbij is getrokken, besluiten we dat het tijd is om verder te gaan. We hadden dat geen minuut later moeten bedenken. Ze zijn alweer bezig met andere straten af te zetten, waar de volgende ploegendienst families aan het werk is met nieuwe zandkunstwerken. Kennelijk gaat dat nog de hele dag door. We mogen van een vriendelijke agent nog nét ergens langsrijden. Anders hadden we waarschijnlijk de hele dag vastgezeten tussen de afzettingen. Ook geen ramp, maar we zijn nou eenmaal op roadtrip en moeten verder, verder, verder.

Onze volgende bestemming is Panajachel, aan het Lago de Atitlán. Bij zijn vorige bezoek heeft Kwin hier een bijna fataal broodje ei gegeten. Dit keer blijkt het gevaar niet in het eten, maar de weg er naartoe. We besluiten in al onze wijsheid om de toeristische route te nemen. Die is korter dan via de snelweg, en lijkt ons mooi. Het wordt zo’n typisch geval waarbij het aftakelen van de weg zo langzaam gaat dat je steeds denkt dat dit ook nog wel kan als het vorige stuk toch nog goed ging. Asfalt, slecht asfalt, vrijwel geen asfalt, zandweg, steile zandweg. Hoewel er op de kaart een weg staat, ervaren we toch wat spannende momenten of ons extreem stoffige karrespoor niet plotseling dood zal lopen.

De weg houdt zich aan de belofte van de kaart. En de weg mag dan slecht zijn, de omgeving is dat niet. We rijden door kleine dorpjes waar mensen weer prachtig uitgedost zijn en trots over straat lopen. En dan komen we in de file.

Huh? Jawel, nadat we weer de hoofdroute hebben gevonden richting Panajachel wordt het opeens extreem druk. Een vreemd fenomeen zo midden in de natuur. Zal wel iets met het Paasweekend te maken hebben. Niet alleen de weg is druk. We vragen bij verschillende hotels of we daar mogen kamperen of een kamer nemen, maar nergens hebben ze plek. De camping die er volgens medereizigers zou zijn heeft de hekken gesloten en als extra maatregel blaffende honden geplaatst.

Uiteindelijk vinden we via de kaart op de GPS toch een hotel waar we mogen kamperen. Met een zwembad en prachtig uitzicht over het meer. Kwin neemt een duik, we pakken er een biertje bij en genieten van de ondergaande zon. Het enige zorgpuntje is de feesttent die duidelijk in opbouw is op het terrein van het hotel. Het testen van de geluidsinstallatie voorspelt slapeloze nachten.

We trekken het dorp in voor het avondeten. Het is gezellig druk op straat (letterlijk, als op een rustige Koninginnedag). Langs de rand van het meer staan allemaal stalletjes met eten en spullen. We hebben nog niet het perfecte restaurantje gevonden, dus we besluiten om een pizzapunt te eten op deze markt. En later nog een. En dan vinden we toch nog Kwins perfecte restaurant: espresso en deserts. We eten een heuze crêpe toe en wandelen terug naar ons busje.

Het blijkt enorm mee te vallen met de geluidsoverlast. ‘s Nachts geen feest in de feesttent, en we slapen heerlijk. Als extra service hebben we zelf ook geen wekker nodig. Om half acht kunnen ze zich niet langer inhouden en gaat de muziek op maximaal volume. Oh well. Het was toch tijd om verder te rijden. Op naar Mexico!

Op de route terug naar de snelweg rijden we langs een gigantische file de andere kant op. Hoe al die mensen nog in Panajachel gaan passen is ons een raadsel, maar ze lijken er allemaal bijzonder veel zin in te hebben. Eenmaal op de snelweg knallen we weer lekker door, en is onze bolide ons dankbaar dat we de toeristische route achter ons hebben gelaten.

Bij het verlaten van Guatemala probeert de man achter de balie ons een of andere vertrekpremie te laten betalen. We beginnen met de transactie, maar wanneer we naar het bonnetje en de prijslijst vragen bij ons wisselgeld blijkt het toch niet nodig en krijgen we alles terug. Het nieuwe anti-corruptie beleid is nog niet bij iedereen geïnternaliseerd geraakt.

Mexico
De Mexicaanse grens pakt meteen goed uit. Een uitgebreide grens met grote hekken en een vrij net kantoor. Onze paspoorten stempelen verloopt soepel. De autopapieren moeten we iets verderop bij een ander kantoor regelen. Voordat we echter verder mogen gebeurt er iets treurigs: onze eieren worden in beslag genomen. Met Pasen.

Het kantoor verderop voor onze autopapieren blijkt al dicht te zijn. We besluiten in een stadje bij de grens een slaapplaats te zoeken, en morgen de papieren te regelen. Uiteindelijk vinden we een hotel waar we de auto in de garage kunnen zetten. Prettig, het was best even zoeken. Dan gaan we op jacht naar een restaurantje. Dat blijkt ook niet eenvoudig. Wat we hadden uitgezocht uit de Lonely Planet blijkt onvindbaar. We eten dan maar een uitgebreide snack in een koffietentje. Een klein meisje oefent trots haar Engels, en vertelt dat ze zo’n fan is van Justin Bieber. Tja. Op de terugweg bekijken we op het leuke centrale plein een soort landen-klededracht-modeshow verkiezing met een presentator met toothpaste smile.

De volgende dag gaan we weer op pad, en regelen ons auto-paspoort voor Mexico. Die is wat duurder, maar is dan ook tien jaar geldig. Vet handig. ‘s Middags lunchen we in een klassieke Mexicaanse vreetschuur, American style. Het eten is prima, al bijt ik wel een stukje van mijn kies af. Sjonge, de aftakeling is begonnen. ‘s Avonds komen we aan in Tuxtla Gutierrez. Daar is zowaar een hotel / RV park met stroom, dus we kunnen lekker zelf koken.

‘s Ochtends vertrekken we op tijd. Het is nog een aardig stuk tuffen naar Mexico stad. We komen uiteindelijk op 850 km. Tijdens die kilometers komen we 16 tolhokjes tegen, en betalen we omgerekend 70 euro. De Péage van Frankrijk is er niets bij. Na een eindeloze ringweg om de stad heen arriveren we in een buitenwijk van Mexico stad, waarover we hadden gelezen dat er een hotel met RV plekken is. Dat blijkt te kloppen gelukkig, nadat we de eigenaren eindelijk te pakken krijgen. Het is een soort grote parkeerplaats, waar met name RV’s staan opgeslagen. Niet super idyllisch dus, maar er is weer stroom en kunnen dus weer zelf koken. En we mogen douchen in een van de kamers die leeg staan.

Dan is het tijd voor Mexico City. De Lonely Planet heeft grondig op ons ingepraat dat dit De Gevaarlijkste Plek Ooit is, en dat je absoluut niets van waarde mee moet nemen omdat het onvermijdelijk gejat wordt. Dus gaan we met alleen een pinpas en een flesje water de bus en de trein in naar het centrum. Daar is het wel aardig. Na alle waarschuwingen is het een beetje lam: niet eng, en ook niet super bijzonder wat betreft stad. We bekijken een leuk museum en vinden een erg leuk restaurantje op een knus binnenplaatsje. Daar bestellen we uiteraard guacemole. Dit blijkt geserveerd te worden met gefrituurd insect. Die laat ik graag aan Kwin, die ze lekker knapperig vindt.

Ook op de terugweg naar onze buitenwijk worden we wederom niet overvallen, beroofd of anderszins lastig gevallen. Dus vertrekken we de volgende dag maar richting Tepic. Weer een aardige tocht met aardig wat tolpoorten. We zoeken ons suf naar het RV park dat in Tepic zou moeten zijn. De vijfde keer dat we er langs rijden zie ik het opeens verstopt zitten in en achter een ‘strip mall’. Los Pinos RV park heeft verder prima voorzieningen, het is lekker weer op wat gras te staan.

Dag 6 is Mexico rijden we naar Guasave. Daar gaan we op zoek naar Mr. Moro aan Playa Las Glorias. Dit is een camping aan zee. We kunnen het voor de verandering niet goed vinden, zelfs niet met GPS coordinaten. Tot we een politie-auto tegenkomen, wat leidt tot een persoonlijke escorte tot aan de deur. Het is even zoeken of ze hier iets voor terug verwachten, maar dat lijkt echt niet zo te zijn, dus we bedanken ze heel vriendelijk.

Dan moeten we proberen te regelen dat we daadwerkelijk op een van de vele vrije RV plekken mogen staan. Dit blijkt een zeer ingewikkelde opgave voor de persoon die we na enig zoeken vinden die op dat moment de baas lijkt te zijn. Hij begrijpt werkelijk waar niet wat we willen. Is natuurlijk ook een ingewikkelde puzzel: twee mensen die ‘s avonds aankomen in een camperbusje bij een camping. What could we possibly want??

De camping ligt prachtig aan zee en we staan er prima. Het lijkt wel enigszins verloederd sinds dat de website is opgericht. Deze plek heeft meer glorieuze tijden gekend. We genieten van het uitzicht en koken weer een eigen maaltijd. Fijn om na veel hotels in Centraal Amerika weer wat camping-vrijheid te ervaren.

Hoewel we hadden gedacht wat langer van deze prachtige luxe camping te gaan genieten, besluiten we toch weer verder te rijden en iets te zoeken wat net wat minder uitgewoond aanvoelt. Wij rijden door naar Guaymas, en installeren ons bij Hotel Playa de Cortes. Dit is een favoriete stop van veel snow birds (Amerikaanse pensionados die met hun RV steeds de warmste plek opzoeken). Geen wonder, want hoewel de prijs er ook naar is, voelt deze plek uitzonderlijk schoon, luxe en veilig. Wij besluiten het ervan te nemen en ons drie nachten in luxe te wentelen. We hebben voor het eerst ‘full hook-ups’, oftewel stroom, water (direct op de kraan, dus niet via de tank) en riool. Bijzonder decadent.

Dit is meteen ook een uitgelezen kans om – voor het eerst!!! – onze partytent op te zetten. Deze hebben we in Chili gekocht bij wijze van luifel, en iedere avond verplaatst om ons bed op te kunnen maken. Nu is het dan eindelijk zo ver. Na enig zoeken staat hij. En breken we meteen een van de plastic verbindstukjes. Pure kwaliteit. Het is wel erg leuk om zo’n tent te hebben staan. Het geeft echt het gevoel alsof je woning verdubbeld is, zo’n extra afdak met onze tafel en stoelen eronder.

De twee vakantie-dagen die volgen spenderen wij in volle ontspanning. Na onze race door Centraal Amerika nemen we zelfs de tijd om een kano te huren. Het hotel staan aan een kommetje van de zee, en we peddelen om de grote witte rots heen die bij de ingang van de kom ligt. Deze rots hernoemen we bij nader inzien naar ‘bird shit rock’. Ook neem ik een kijkje in zo’n gigantische ‘fifth wheel’ RV met slide outs. Onwaarschijnlijk. Dat lijkt een stuk stabieler dan ons miniscule busje, als je ziet dat ze gewoon een printer los op een kastje hebben staan. Het is theoretisch gezien ook mogelijk dat ze wat rustiger rijden dan wij.


En dan is het op 8 april 2013 tijd voor ons laatste stukje Mexico. We rijden naar de grens bij Nogales, en rijden bij gebrek aan Mexicaanse eind-grens direct het USA gedeelte binnen.

Voordat we aan dat verhaal beginnen nog even wat algemene beschouwingen en cijfers.

Onze samenvatting van Mexico: Mexicanen lijken erg op Amerikanen, en wel precies op die punten waarin Amerikanen verschillen van Europeanen. Om dit algemene gevoel met wat stereotypische voorbeelden kracht bij te zetten: ze hebben grote auto’s die passen bij hun (gemiddeld) grote lichamen. Een fast food verslaving dus, met altijd een ‘pollo’ tent binnen een straal van 1.500 meter. Dit was het eerste land waar ons busje klein was, en waar we verschillende andere Ford E350’s hebben zien rijden.

Een cijfermatige samenvatting van onze roadtrip in Centraal Amerika:

  • 21 dagen (18 maart – 8 april)
  • 7 landen
  • Panama: 4 nachten.
  • Costa Rica: 4 nachten.
  • Nicaragua: 1 nacht.
  • Honduras: 0 nachten.
  • El Salvador: 1 nacht.
  • Guatemala: 2 nachten.
  • Mexico: 9 nachten.

En dan nu Amerika. De douane-beambte zet meteen de sfeer: ‘This is the United States m’am, nothing’s gonna happen’.
Hij had het over de veiligheid natuurlijk. Maar hij heeft op alle fronten ongelijk gekregen… En dat verhaal, jongens en meisjes, vertellen we in de volgende post.

(Heus! Ook het laatste deel van ons blog komt nog! Binnenkort. Een keer.)

Posted in Costa Rica, El Salvador, Guatemala, Honduras, Mexico, Nicaragua, Panama, Panamericana | Comments Off on Centraal Amerika in 21 dagen

Cartagena – Panama: niet voor beginners

Na een goede nacht slapen zijn we aardig bijgekomen van de lange rit naar Cartagena. Rond koffietijd is er afgesproken met Manfred bij de supermarkt. Die doet dienst als zijn kantoor. Hij is een kwartiertje te laat, maar dan is ie er ook. Sjonge. Een gigantisch tent-shirt hangt over zowel zijn buik als zijn buikbuidel. Zijn gezicht doet een voorliefde voor alcoholische dranken vermoeden, evenals zijn zonnige humeur. Tussen het praten door doet hij dat speciale oude-mannen ding waarbij zijn onderkaak naar voren gaat en zijn onderlip naar binnen.

Achterin de supermarkt zit een cafetje met wat tafels en stoelen. Er is ook een copy-shop en wasserette. Dit is dus het excentrieke kantoor dat bij de excentrieke man hoort. Er moeten allerlei papieren getekend worden. Hoewel Manfred veel heen en weer schuift met velletjes lijkt hij uitstekend te weten waar hij mee bezig is. Hij laat super subtiel weten het niet leuk te hebben gevonden dat hij het papierwerk voor onze auto’s twee keer heeft moeten doen in verband met onze vertraging: alle dubbele en niet meer geldige versies worden op een aparte stapel gegooid met iedere keer een ‘this is now useless’ erbij.

Al met al is de tekensessie snel voorbij, en spreken Kwin, Philip en Manfred morgenvroeg heel vroeg af bij de haven. Helaas mogen de dames niet mee omdat zij niet de eigenaren van de auto’s zijn. Zij zullen moeten uitslapen.

Nadine voelt zich niet zo lekker, dus zij gaat met Philip terug naar het hotel. Wij laten ons met een taxi afzetten bij het oude centrum. Dat is een prachtige en goed onderhouden koloniale binnenstad. Na de eerste paar stappen in deze historie schiet een van de banden van mijn slipper los. We moeten in de eerste de beste winkel een nieuw paar aanschaffen. Oh well.

Met nieuwe slippers verkennen we de buurt. Er hangt een prettige sfeer, met zowel locals als toeristen. We vinden een pleintje met wat cafés, en gaan zitten om – eindelijk – ons eerste kopje koffie in Colombia te bestellen. De koffie is wel aardig, en we genieten met name van het observeren van de toeristen en de serveersters. Die laatsten wapperen steeds enthousiast met hun menukaarten om de aandacht te trekken van nieuwe toeristen. De concurrentie op het plein is groot. We slaan in goed humeur beleefd vele aanbiedingen van straatverkopers af. Hadden we de stralende zon al genoemd?

Na ons eerste kopje koffie gaan we op zoek naar nummer twee. Na nog vele mooie huizen te hebben bewonderd vinden we het ideale café aan een nog mooier plein. Ze hebben hier zachtfluwelen cappuccinos en verfrissende limonadas. Ook is er uitzicht op het plein en de straat waar voortdurend hordes cruiseboot toeristen langskomen, al of niet in koets. Na al het gedoe van de afgelopen weken is dit even intens genieten. We kunnen ons zomaar voorstellen dat we hier nog eens terugkomen. De oude stad is indrukwekkend, het nieuwe gedeelte modern en groen, aan zee met stranden zijn binnen handbereik. Dit is het mooie Colombia. We hopen dat de cappuccino Max Havelaar is.

De volgende dag vertrekken de heren vroeg om met Manfred naar de haven te gaan. Vandaag staat het papierwerk en het betalen op het programma. Nadine en ik vertrekken iets later om de stad in te gaan. We wandelen wat rond en eindigen niet geheel toevallig bij het café aan het plein om op de heren te wachten. Dit duurt langer dan verwacht. Dat verbaast ons niets wanneer ze even later over hun avonturen vertellen.

In de haven moet er vooral veel worden gewacht. Eerst natuurlijk identificeren om de haven in te mogen. Veiligheidshesje aan, helm op. Zo bewapend stappen ze gelaten het onheilspellende ‘Oficina de Papeles’ in. Hier begint een saai en lang proces van wachten, iets betalen, daar een stempel voor krijgen. Wachten, betalen, ander stempel. Etcetera. Manfred weet precies wanneer welk loket en welk stempel aan de beurt zijn. Er is slechts een onverwachte kostenpost hierbij. Doordat de boot een dag vertraagd is (niet door ons, voor alle duidelijkheid) moeten we stallingskosten betalen voor de container op de haven. Ach, met 60 dollar gedeeld door vier kunnen we dat wel aan.

Na het havenbezoek moeten ze nog even langs ‘kantoor’. Manfred zegt niet duidelijk waarom. Dit blijkt te zijn om Philip en Kwin voor te stellen aan een Duitse gozer die per motor op reis is. Hij overweegt om ook via Manfred zijn motor te laten verschepen, en Manfred ziet het wel zitten om dat in dezelfde container te doen als onze auto’s. Als het goed is past het net in de container. En volgens Manfred kan het nog prima om nu alles nog te regelen. We doen de jongen een aanbieding, maar uiteindelijk besluit hij om zijn motor via de zeilboot te vervoeren. Het was iets netter geweest van Manfred als hij dat vast aan ons had voorgelegd voordat hij de Duitser opeens voorstelde, vinden wij.

Op dag drie vertrekken we weer lekker vroeg van het hotel. Dit keer helaas allemaal, omdat we de auto’s vandaag naar de haven gaan brengen en we naar Manfreds appartement gaan verhuizen. De heren gaan weer naar de haven. Daar worden de busjes gewogen, en weten we eindelijk zeker dat we een ‘normaal’ campergewicht hebben: 3000 kg met alle spullen erin. Vandaag leren de heren dat ze steeds zo bizar vroeg zijn opgestaan omdat Manfred het in de vroege middag te warm vindt en het in de late middag te veel waait naar zijn smaak. Anders had het inleveren van de auto’s ook prima gister gekund, of het inladen van de auto’s vandaag. Nu laten de heren de auto’s alleen achter op de haven. Er wordt nog wel een rapport gemaakt over de staat van de auto voor de verzekering.

Dan willen ze weer de haven uit, maar zo makkelijk gaat dat niet. Ze zijn namelijk met een auto de haven in gegaan, en proberen die nu te voet te verlaten. Daar zijn natuurlijk verschillende processen voor, en Kwin en Philip hebben zo niet het juiste papiertje. Manfred heeft wel een document waarmee ze de haven uit mogen, maar dat wil hij niet inleveren. Hij denkt het later nog nodig te hebben. Manfred windt zich nogal op en lijkt even niet meer voor rede vatbaar, maar uiteindelijk levert hij het document in en kunnen de heren de haven uit. Voordat ze naar huis kunnen moeten ze nog langs de Doe-Het-Zelf zaak om stokken en touw te kopen om straks de auto’s mee vast te kunnen zetten.

Ondertussen hebben Nadine en ik kunnen genieten van Manfreds appartement. Dit is een onwaarschijnlijke dump. Het ruikt er muf en is er bijzonder heet. Er liggen nog overgebleven boodschappen en vuilnis van de vorige onfortuinlijke bezoekers. Die vonden het kennelijk wel prima want er staan wat biertjes op tafel met een briefje met ‘Danke Manfred!’ Wanneer deze krasse knar ons binnenlaat is hij zelf verbaasd deze biertjes te zien. Hij is kennelijk een tijdje niet binnen geweest. Hoe lang zou het geleden zijn?

Dat er ook geen schoonmaak binnen is geweest kan onder andere worden afgeleid aan de natte handdoeken op de stoel naast het bed en het beslapen beddengoed. Manfred lijkt dit niet zo schokkend ranzig te vinden als wij, hij roept onaangedaan dat er schone lakens in de kast liggen. Daarbij hanteert hij dezelfde definitie van ‘schoon’ als op de rest van het huis van toepassing is. In de woonkamer viert het stof hoogtij op de vele rotzooi die langs alle wanden opgeslagen is. Via een niet goed afgeplakte deur kunnen we meekijken in de tandartsenpraktijk van zijn vrouw. Een beetje elitair misschien, maar dat vinden wij dus raar. Bah!

Die avond komen Nadine en Philip erachter dat de airconditioner in hun kamer niet werkt. Het is een klamme en onrustige nacht, gevolgd door een vroege wekker. Vandaag gaan we met z’n allen naar de haven voor de drugscontrole en het inladen van de auto’s in de container. Manfred komt met zijn ‘privetaxi’, bestuurt door zijn zoon. Het lijkt een matig gezellige vader-zoon relatie. Hij heeft echter een chauffeur nodig en zijn zoon een baan waar hij niet zomaar ontslagen wordt, want ‘THEY won’t let me drive anymore’. Wij vermoeden dat ‘they’ daar wel een goede reden voor zullen hebben.

Bij de haven kleden we ons allemaal in hesjes en helmen. We brengen een kort bezoek aan de Oficina de Papeles, en kunnen daarna vrij snel door naar de loods waar de drugscontroles plaatsvinden. Dat is hier een serieuze business. Werkelijk alles wordt uit de containers gehaald en in ene loods gezet. Er worden gaten geboord in de bodem van de containers om dubbele bodems te ontdekken. Alle spullen in de loods worden gecontroleerd. Meestal komen er drugshonden langs. Dan pas gaat alles weer in de container.

We moeten een tijd wachten voordat ze tijd voor ons hebben. Dan komen er twee agenten met ons mee naar de auto’s. De controle is buiten, niet in de loods, wat volgens Manfred prettig is (geen camera’s). Ze beginnen een zeer grondige controle. Ze kijken in alle kastjes en tassen en het dak moet omhoog. Na deze menselijke check is het wachten op de drugshonden. We pakken de tuinstoelen erbij. De agenten hebben ook niets anders te doen dan wachten.

Dit lijkt niet efficiënt, en dat is het ook niet. Die drugshonden hebben ze niet hier op de haven, die wonen een haven verderop. Ze hebben die drugshonden wel iedere dag nodig. En om ze ook echt te kunnen gebruiken moeten de speciale honden-agenten er bij zijn om de honden te begeleiden en instructies te geven. Er is geen proces om zowel de honden als hun begeleiders op de gewenste momenten samen op een plek te krijgen. *Zucht*. Dan begrijpen we wel dat Manfred af en toe wat uit zijn hum raakt. Die is ondertussen trouwens druk bezig om mensen te begroeten en chocolaatjes enzo te geven.

Uiteindelijk worden onze auto’s goedgekeurd (dankzij de chocola?) en wordt onze container open gemaakt. Er wordt een opritje afgeleverd en daar gaan we dan: we rijden de auto’s naar binnen. Het past vrij precies, en Kwin moet via de achterdeur de auto uit. Het vastbinden van de auto’s gebeurt door op iedere hoek een dubbel touw naar de zijkant van de container te doen. Vervolgens wordt dat touw gespannen door de stok erin te steken en rondjes te draaien. Een simpele maar zeer effectieve methode. Om helemaal achterin de container voor onze auto te komen moeten de sjor-mannetjes ook weer door onze auto heen klimmen.

Spannend hoor, of dit allemaal goed zal gaan! Er is een mannetje van de verzekering om foto’s te maken van de auto’s en de container, om ons eraan te herinneren dat het ook best eens mis zou kunnen gaan. Dan wordt de container gesloten en gesealed. Nog een paar stickers erop (waar Manfred ons extra voor laat betalen) en klaar is kees. We nemen zelf ook wat foto’s, hopen op het beste en vertrekken uit de haven.

De eerste stop is natuurlijk de supermarkt. Daar handelen we de financiën af met Manfred, en ontmoeten we Frits met zijn vriendin (zijn ex-vrouw heeft hem na zo’n 30 jaar huwelijk op straat gezet, en wat ís hij blij dat hij er vanaf is, vertelt hij even later ongevraagd). Frits is de kapitein van de zeilboot waarbij we hebben gereserveerd. Hij heeft een catamaran waarmee hij toeristen tussen Cartagena en Panama City vervoert via de San Blas eilanden. Bij kennismaking staat hij uitgebreid op om mijn hand te kussen. Getver, wat fout. We hopen dat dit aan de algemene eigenzinnigheid van kapiteins ligt. Frits en vriendin zijn blij dat wij zulke jonge gezellige mensen zijn, zeggen ze. Oh? Later zullen we begrijpen waarom.

De kapitein laat plaatjes zien van de hutten die wij willen hebben. Er zijn ook slaapplekken in de lobby verkrijgbaar, maar dat lijkt ons wel heel weinig privacy. Deze eersteklas hutten zijn duurder maar veel beter geschikt voor luxepaardjes lijkt ons. We leveren ons paspoort in bij Manfred, die de controles regelt voor Frits. Hmmm, interessant. Kennelijk hoeven we er niet bij te zijn om een stempel in ons paspoort te krijgen dat we het land verlaten.

Met de overtocht van zowel de auto’s als de personen geregeld keren we terug naar huis. We hangen brak van het vroege opstaan (bedankt Manfred) rond in het brakke appartement (bedankt Manfred). Hij kan dan misschien goed havenmannetje spelen, we zijn geen fan.

De volgende ochtend pakken we de boel in en gaan bij de steiger wachten waar Frits ons op komt halen. Hij is te laat. Uiteindelijk komt een van zijn bootjongens ons ophalen in een dingy. Deze lijkt uit de dood herrezen, met matig succes. Er is meer lijm dan boot te zien, en de rand is verdacht zacht. Moeten we hier met onze bagage in stappen? Ja, dat lijkt duidelijk de bedoeling. Nou ja, voorruit. We stappen met onze koffers aan boord, en hopen dat dit motorbootje niet representatief is voor de hoofdboot.

Helaas. De dingy lijkt er nog relatief genadig vanaf gekomen te zijn vergeleken met de staat van de catamaran. Zij was lang, lang geleden een luxe schoonheid. Nu is zij getekend door weer en wind. En mogelijke mishandeling. Zoals wel vaker bij huiselijk geweld zit de ergste schade van binnen. Hier heeft Frits de zaag ter hand genomen, en de vier tweepersoons cabines van weleer omgetoverd tot een ware tourist trap. Deze reis zijn er niet acht maar vijftien toeristen aan boord. Exclusief vijf bemanning.

In de lobby is een van de twee ronde tafels omgetoverd tot slaapbank (hoppa, drie betalende klanten extra), en achter beide tafels is nog een extra bed gemaakt. Een van de hutten plus de hal is omgezaagd tot 8 stapelbedden. We vermoeden dat onze hut vroeger een eigen badkamer had, gezien de lamellendeur naar de zijkant. Die kan nu niet meer open omdat het uiteinde van een van de stapelbedden daar doorloopt.

Onze eersteklas hutten zijn onherkenbaar van de mooie strakke foto’s in de folder. Die van ons heeft wel een sluitende deur. De hut van Philip en Nadine heeft een ronde deur in een rechthoekige deuropening. De deur kan ook niet echt goed dicht. En als hij eenmaal dicht zit niet goed meer open. Zelfs met een dichte deur zitten er nog grote open gaten en ze zitten naast de twee wc’s/douches. Super luxe dus. Nu begrijpen we waarom Frits & Vriendin zo blij waren dat we nog relatief jong zijn: jongeren die backpacken zullen minder snel klagen over dit soort omstandigheden.

Op de boot zetten we het wachten van op de steiger voort. We observeren de mooie rustige haven. Dan gaan ze eindelijk het anker lichten. Er ontstaat paniek onder de crew. Vriendin lijkt te hebben overdreven toen ze in de supermarkt zei dat zij natuurlijk ook kon zeilen. Ze lijkt de handelingen maar nauwelijks onder controle te hebben. Zij en Frits schreeuwen heen en weer (zij paniek, hij ongeduld) en ze is niet in staat om duidelijke instructies te geven aan de drie bemanningsleden. Die op proef zijn. Vriendin spreekt Duits en een paar woorden Spaans. De bemanning alleen Spaans en wat Engels.

Kwins tenen groeien helemaal krom. Ik zou zelf ook liever hem aan het stuur hebben. Maar het lukt ze uiteindelijk, en dan gaan we op weg. Naar het benzinestation. Sjongejonge, was dat nou niet typisch iets geweest wat hij als voorbereiding vast had kunnen doen? Bij het aanleggen wordt door omstanders een botsing met een andere boot voorkomen die daar al stil aan de steiger lag. We botsen wel tegen de steiger aan. Frits loopt tijdens het tanken van benzine en water luidruchtig te klagen over waarom dit soort dingen altijd zo lang moeten duren. *Zucht*

Voordat we daar vertrekken is er een safety briefing. Frits speelt de popi kapitein. Je kent het wel. Kapitein maakt foute grap. Niemand lacht. Kapitein klaagt over dat de rest geen gevoel voor humor heeft. Op zich al ergerlijk, maar het schiet ons pas echt in het verkeerde keelgat wanneer hij ook niet serieus op de veiligheid in gaat.

  • Frits: Any questions?
  • Merel: Are there safety boats on board?
  • Frits: We won’t need them.
  • Merel: Ehm, we always hope so, but it’s good to have them. Do you have them.

Nou, hij heeft ze. Kwin en ik checken later nog wel even onder de hoezen of ze nog een geldig certificaat hebben. Dat is zo. Frits deelt vervolgens als de kerstman nachtdiensten uit. Dan mag je twee uur lang midden in de nacht op zijn kapiteinsstoel zitten! (Do we have to? No, you gét to!) En dan moet je hem wakker maken als je denkt iets te zien. Lampen van een containerschip bijvoorbeeld. Iemand vraagt wanneer je hem dan precies moet waarschuwen. O gewoon, als je denkt dat het nodig is. En hij zelf iedere 1,5 uur even komen kijken, dus dat komt helemaal goed. Hmmmm. Containerschepen varen overigens knoepert hard, en kunnen binnen tien minuten nadat je voor het eerst de lampjes zag over je heengevaren zijn.

We overwegen serieus om nog van boord te gaan. Als er al paniek in de crew is bij het anker ophalen in een rustige haven dan geeft dat weinig vertrouwen voor een oversteek op open zee. Bovendien zit Frits op werkelijk alle mogelijke vlakken in onze irritatiezone. Maar goed, hij heeft dit al veel vaker gedaan en hij leeft overduidelijk nog, dus hij kan het kennelijk wel.

Besluiten toch maar te blijven, en uiteindelijk vertrekken we dan ook echt richting Centraal Amerika. De eerste 24 uur bestaan uit de oversteek naar de San Blas eilanden. Dat betekent open water en golven. De uren verstrijken. Het wordt steeds stiller. Mensen worden steeds bleker. De eerste gaat over de rand hangen.

‘s Avonds is er bruine bonenprut met ei. Het is verrassend lekker. Ik doe erg mijn best, maar halverwege mijn tweede bakje prut moet ik rennen naar de rand. Bah. Een lange avond van vechten tegen de misselijkheid en overgeven begint. Liggen helpt, en bijna alle toeristen liggen bleekjes over de boot gedrapeerd. Kwin de zeeman kan uiteraard gewoon blijven zitten en heeft zijn eten netjes binnen gehouden.

Kwin gaat naar bed. Dat vind ik een bijzonder goed plan, maar ik moet nog een tijdje moed verzamelen om op te staan. Naar binnen gaan op een hevig deinende boot met een protesterende maag is zelden een goed idee. De eerste keer red ik het net tot het toilet voordat ik moet overgeven. Op de terugweg red ik het net naar buiten voordat ik moet overgeven. Lachen joh, dat zeilen. Na een tweede periode van moed verzamelen waag ik mij weer naar binnen op weg naar de hut. Ik red het tot aan vlak voor onze deur. Dan moet ik rennen om buiten de reling te halen. De tweede keer doe ik het nog rustiger aan. Steeds zittend een stukje verder schuiven en dan weer rust houden. Dit keer lukt het, en ga ik snel horizontaal op bed. Daar blijf ik liggen tot het avondeten de volgende dag. We zijn dan eindelijk in rustiger water. Kwin bekent dat zelfs hij niet in topconditie was, ‘al moet je dat niet overdrijven’ volgens hem. Onrechtvaardig, niet?

Een paar dagen later zullen we van een van de mensen die buiten zijn gebleven die nacht horen dat er urenlang niemand op wacht heeft gezeten. Iedereen was misselijk, inclusief de drie bemanningsleden. Zaten wij ons druk te maken over het binnenhouden van voedsel, terwijl we ook overvaren en vermaald hadden kunnen worden door een containerschip. Hadden we dit eerder geweten, dan was er mogelijk sprake geweest van fysiek geweld tegen Frits de ‘kapitein’. Kansloze rukker.

Het is bijzonder spijtig dat de enige vraag naar dit soort zeil-overtochten kennelijk in de backpacker regionen zit. Want als je hier op een mooie, schone zeilboot zou zitten met een competente kapitein en crew, dan zou dit een ronduit geweldige ervaring zijn. De San Blas eilanden zijn erg bijzonder om doorheen te varen. Het is precies zoals een tropisch eiland hoort te zijn volgens de Bounty reclames: klein, wit strand, palmbomen, zon. Met mooi koraal en helder water.

Het is echt bizar hoe klein een eiland kan zijn. De meeste San Blas eilanden zijn nog geen half voetbalveld, en komen maar net boven het water uit. Een goede golf of een kleine stijging van de zeespiegel en foetsie! Deze eilandengroep staat onder soort van soeverein bestuur van de Kuma indianen die hier van oudsher wonen. Hoe mooi en bijzonder ook, wij worden al claustrofobisch bij de gedacht om op zo’n postzegel te wonen. Zelfs de Kuma’s schijnen elkaar af te wisselen. Het verbaast ons weinig dat er een groot alcoholprobleem is op de eilanden.

Zonder de golven van de eerste avond is de tweede avondmaaltijd een gezellige aangelegenheid. Opeens is iedereen spraakzaam en worden er namen en verhalen uitgewisseld. We zijn wel vrijwel de oudsten daar. De gesprekken neigen wat meer richting ‘en wat drink jij als je uitgaat’ dan naar ‘hoe sta jij in het leven’. Niet erg en zeker gezellig, maar we voelen dat leeftijdsverschil van een jaar of 10 toch wel. We spenderen nog twee dagen tussen de eilanden met in de zon zitten, kletsen, zwemmen, snorkelen en koude biertjes drinken. We bezoeken ook zwemmend en per dingy de eilanden. In sommige gevallen vragen de Kuma’s daar extra geld voor. Op een van de eilanden is een barretje en drinken we een biertje. Bijzonder om daar zo te zitten.

Ook bijzonder (fijn) om even niet bij Frits te zijn. Naast de al genoemde tekenkrommende zaken krijgt hij af en toe telefoontjes van nieuwe klanten, en dan zegt hij daarna zo hard mogelijk dingen als ‘Oh why do people insist on giving me so much money!’ Verder heeft hij de boot zo vol gepropt dat niet iedereen aan tafel kan zitten tijdens het eten. En valt het eten, wat op zich prima is, ongelooflijk tegen nadat hij daar eindeloos over heeft staan opscheppen van te voren. Hij was namelijk ook eens kok, en hij serveert het beste eten onder zeil. Het ergste is dat we dat ook nog geloven, nadat we de andere boten hebben gezien onderweg. En als we dan toch bezig zijn: waarom liggen er overal aan boord uien opgeslagen? Hij heeft zijn best gedaan, maar ze zijn bij lange na niet op gekomen.

Dit is onze samenvatting van Frits de Kapitein:

  • Kan niet zeilen (drie keer aangelegd bij steiger, drie keer tegen steiger gebotst, waarvan een keer serieuze schade)
  • Geen leiderschap (bij iedere manoeuvre paniekerig geschreeuw tussen de crew)
  • Geen aandacht voor veiligheid (geen nachtwacht op drukbevaren route)
  • Compleet gebrek aan professionaliteit (bv bij afrekenen voortdurend uitroepen van ‘oh yess give me more money, I like money’)
  • Slecht verwachtingsmanagement (zonder disclaimer van ‘dit zijn de foto’s zoals de boot er tien jaar geleden uitzag voordat ik er de zaag in zette’ is de aankomst op de boot op zijn minst nogal een aanfluiting)
  • Gebrek aan decorum (trek op zijn minst eens een schone zwembroek aan, en bij voorkeur iets over je hangbuik)
  • Kinderachtig ventje (zodra je iets vraagt wat hem niet uitkomt negeert hij je)

Wij denken dat Frits nog een keer uit pure weerzin overboord wordt gegooid. Prima.

We vinden het ondanks de prachtige eilanden dan ook niet erg wanneer de laatste dag aanbreekt. Er zijn een aantal eilanden dichter bij Panama die iets groter zijn en bijna geheel bedekt met kleine dorpjes. Al iets minder claustrofobisch dan de mini-paradijsjes verderop, maar het trekt ons nog steeds niet. Los van de verveling zal het ook geen makkelijk bestaan zijn om alleen van de visvangst en de kokosnoot oogst te leven. Er staan dan wel heel veel palmbomen op al die eilanden, maar veel zijn die noten niet waard. Ongeveer een kwartje, als we het goed hebben onthouden. Wat daar wel weer grappig aan is, is dat je met kokosnoten kunt betalen. Die moet je dan wel elders vandaan hebben gehaald, want iedere kokosnoot op de San Blas eilanden is van iemand. Mag je dus ook nooit oppakken als je op zo’n eiland bent.

Het van boord gaan is een heel proces. Om de een of andere reden (we vermoeden geld) is het niet toegestaan om aan te leggen bij de steiger op het vaste land om mensen uit te laden. Omdat we een motor aan boord hebben (onze Duitser die eerst misschien in onze container mee zou gaan) leggen we wel eerst aan bij de steiger. Tot intense ergernis van Kwin vaart Frits precies verkeerd aan gezien de windrichting, en we botsen dan ook een paar keer goed met de zijkant tegen de kant. Flinke deuk. Dan wordt de motor afgeladen. En dan varen we weer weg, om vervolgens opgehaald te worden door een bootje van de Kuma’s. Dit bootje wordt ernstig overladen met alle mensen aan boord plus hun baggage. En vaart vervolgens weer naar precies diezelfde steiger weer we eerst aangelegd waren. Uiteraard moet iedere passagier voor deze service betalen, US$5,–.

Het schijnt dat soms de weg vanaf daar niet helemaal begaanbaar is en dat die bootjes nog een stuk een rivier op moeten varen, maar zoals het nu ging leek het een pietsie zinloos. We vinden het niet erg als de Kuma’s ook wat verdienen aan deze handel, maar vraag dan gewoon een bedrag per persoon om bij de steiger uit te stappen.

We betalen het boottochtje, en worden vervolgens in een paar jeeps gepropt om door de jungle vervoert te worden naar Panama City. Dit blijkt een echte achtbaan. Niet alleen omdat de bestuurder de Latijns-Amerikaanse rijstijl eer aan doet, met onder andere een biertje bij een korte stop bij de supermarkt. Maar ook omdat de weg letterlijk op en neer gaat als een achtbaan. Een hele bijzondere jungletocht! Naar beneden laat hij de auto flink vaart maken om vervolgens aan de andere kant weer omhoog te komen. Zal zeker meer dan 20% zijn geweest. Met de fiets waren we gaan lopen.

Het landschap is ook uitbundig. Nog jungle-iger dan Colombia, met veel felle kleuren. Echt ‘old school jungle’, zoals in de films. Het verbaast ons helemaal niets meer dat de Panamericana niet door loopt over deze Darian Gap. Zuid en Centraal Amerika zitten dan wel aan elkaar vast, begaanbaar is het zeker niet. Mooi wel.

We laten ons met vier Zwitsers afzetten (ja, we hebben op de boot twee extra Zwitserse vrienden opgelopen) in het centrum van Panama City. Dat is een mooi oud centrum met allemaal koloniale gebouwen. Het hotel dat we op het oog hebben blijkt geen ideale prijs/kwaliteit verhouding te hebben, en we gaan met z’n zessen op stap om een andere slaapplek te zoeken. Het oude centrum lijkt drie varianten te hebben: heel duur, goedkoop met bijpassende kamers en redelijk geprijsd maar vol. Na de vochtige lakens en plakkerige vloeren op de boot zijn Kwin en ik helemaal klaar voor wat luxe. Philip en Nadine en onze nieuwe Zwitserse vrienden van de boot geven de voorkeur aan een goede prijs. We besluiten op te splitsen en ‘s avonds samen te gaan eten.

Het eerste wat we met z’n tweetjes doen is even rustig lunchen. Er is een koffietentje aan een plein dat er veelbelovend uit ziet. Het wordt gerund door Amerikanen. Ze blijken ook kamers te hebben, maar helaas zitten hun goedkopere kamers vol. Ze hebben wel een perfect geschuimde cappuccino en een lekker stuk quiche beschikbaar. En wifi zodat we onze hotelopties kunnen checken. Na dit culinaire hoogstandje lopen we naar het nieuwe centrum. Daar vinden we na het nodige zoeken precies de oase van strakke stijl en frisse lakens waar we zo naar verlangen. Ja! De zoute zeelucht van ons af douchen en verse kleren aantrekken. Goddelijk. Hebben ze ook nog wifi, en wij zijn in het paradijs.

Opgefrist wandelen we weer naar het oude centrum, en drinken met z’n allen een biertje op een dakterras van een supersjiek hotel. Het uitzicht over de baai en de skyline van het nieuwe centrum is prachtig. We krijgen er gratis een ondergaand zonnetje bij. Dan is het hoog tijd voor wat voedsel, en we vinden een prima tent waar we buiten kunnen zitten. Gezellig op de stoep naast de straat. Gelukkig is die nu afgezet wegens werkzaamheden dus zitten we lekker rustig. We bestellen allemaal een hamburger met frietjes en een limonada.

We hebben nog geen bericht gekregen dat de auto is aangekomen, dus we spreken voor de volgende avond weer af met onze vriendjes. We slapen heerlijk uit en nemen een taxi naar het grote winkelcentrum. Daar hangen we wat rond en doen wat inkopen. Het is echt een extreem Amerikaans winkelcentrum. Raar hoor, zo naast de jungle. Dan is het weer tijd voor een goed kopje cappuccino en nemen we een taxi naar het oude centrum. De rest van de middag ontspannen we met een boekje op onze hotelkamer. We kunnen wel wat mentale rust gebruiken na het doorstaan van de vele Frits-ergernissen. Ook lekker om weer even gewoon samen te zijn, zonder de hele tijd sociaal te hoeven doen.

‘s Avonds vertrekken we te laat voor onze afspraak. En hebben we de loopafstand verkeerd ingeschat. En lopen we verkeerd. Al met al zijn we 25 minuten te laat bij de ingang van het Hard Rock hotel. Het plan is om daar een drankje te doen in de bar die hopelijk ergens bovenin het hotel zit, en daarna in het Hard Rock Café wat te eten. Onze Zwitsers zijn nergens te bekennen. Tja, we zijn dan ook te laat. We zoeken het hotel af naar de verschillende bars, maar kunnen ze niet vinden. Er blijkt daar ook geen Hard Rock Café te zijn. Well crap. We doen nog een drankje in de lobby en hopen dat ze van waar ze ook zijn nog even langslopen om de laatkomers op te halen. Helaas!

Bijna een uur later gaan we dan maar op zoek naar een eigen eetgelegenheid. We lopen het winkelcentrum naast het hotel in. Daar staan bordjes richting het Hard Rock Café. Aha! Waarom dat café elders moet zijn dan het hotel is ons een raadsel, maar het mysterie van ‘waar zijn de Zwitsers’ is wel opgelost. We schuiven toch nog maar aan, hoewel zij al druk aan de hoofdmaaltijd zitten. Hier krijgen we spijt van. Het is namelijk bandjes-competitie avond. Normaal gesproken schijnt hier een voorselectie voor te zijn. Met deze ene inschrijving was dat echter niet van toepassing.

Aan de extravagante kledingkeuze ligt het niet. Aan de rest wel. Weet je nog, Johnny Hapache in een crêperie in Frankrijk? Wat een onwaarschijnlijke teringherrie dat was? Well Johnny, eat your heart out. Het geluidsniveau overschrijdt iedere redelijkheid. De fysieke pijngrens wordt ruim overschreden en ook de mentale pijnmeter staat in het rood. We denken dat het niet toevallig is dat de bediening oordopjes in heeft. Het eten is aardig (zij het wat aan de prijs), maar we schuiven het zo snel mogelijk naar binnen om daar zo snel mogelijk weer weg te kunnen.

Er is een harde kern fans van deze band die enthousiast met spanborden staan te luisteren. Persoonlijk vind ik het wreed om als vriendengroep je muziekaal onderontwikkelde rockster-wannabees op die manier in de waan te laten. We hebben het niet gecontroleerd tijdens onze vlucht naar buiten, maar we weten zeker dat die vrienden óf ernstige gehoorschade óf oordopjes hebben. Waarschijnlijk allebei. Dit soort marteling zou geen enkel podium toe mogen laten. Wij gaan nooit meer naar een Hard Rock Café.

Buiten spreken we met nog piepende oren af om morgen naar Colon te gaan. We hebben nog geen officiële bevestiging gezien, maar op een app kunnen we zien dat onze boot al in de haven is geweest. Hoogstwaarschijnlijk staat onze container dus op de kade. We spreken af bij het treinstation. Er is en trein die helemaal langs het panama kanaal gaat. Dat belooft een mooi ritje te worden.

Die ochtend word ik misselijk wakker. Het is even de vraag of het gaat lukken om naar beneden te lopen. Terwijl Kwin een taxi roept kots ik naast de ingang van het hotel achter de airco installatie. Heel romantisch. Dat lijkt de taxichauffeur niet gezien te hebben, want we mogen gewoon instappen en hij kijkt niet bezorgd. Ik red het net tot het treinstation. Daar ren ik naar de toiletten. Kwin koopt ondertussen de kaartjes. Philip en Nadine zitten al in de trein.

De treinrit is inderdaad prachtig. Er is uitzicht op het Panama kanaal en we rijden dwars door de jungle langs het kanaal. Helaas spendeer ik het grootste deel van de treinrit op het toilet. Het zou natuurlijk ook iets anders kunnen zijn, maar wij geven het Hard Rock Café graag de schuld.

Nadine heeft al een hotel voor ons vieren gereserveerd in Colon. De stad voldoet aan alle verwachtingen: je kunt in het daglicht al zien dat je hier NIET in het donker in je eentje over straat wilt lopen. Of met z’n tweeën. Of überhaupt. De trein is bizar vroeg vertrokken, dus we komen nog voor 9 uur ‘s ochtends aan. Ik red het weer net in de taxi en tijdens het inchecken. Daarna neem ik mijn intrek in de badkamer.

De anderen gaan op pad om de auto’s te bevrijden van de haven. De eerste stap is het betalen van Seaboard, onze verscheper. Dus nemen ze een taxi naar het kantoor. Daar staan ze wat in de rij, waarna het juiste papier gezocht moet worden. Dat wordt gestempeld en ze krijgen een papiertje met het rekeningnummer en het bedrag. Vervolgens lopen ze naar de bank een stukje verderop. Daar storten ze het geld en krijgen ze een stortingsbewijs. Daarmee lopen ze weer terug naar het Seaboard kantoor. Nu moeten ze uiteraard bij een ander loket zijn. De vrachtbrief wordt gestempeld. En met die simpele stappen zijn we klaar voor de douane.

De douane is natuurlijk elders in een tax free zone. De drie musketiers komen hierdoor langs het hotel, en eten daar in de buurt wat lunch. Nadine voelt zich ondertussen ook niet meer zo jovel, en zij keert terug naar hotel. Met de dames op bed strijden de mannen dapper verder en ze gaan naar de douane.

Hier moeten de nodige papierzaken geregeld worden. Net als bij iedere grens moeten we een autopaspoort krijgen voor in Panama. Een verzekering is hier weer verplicht. Die is uiteraard niet verkrijgbaar bij de douane. Ze nemen een taxi naar een winkelcentrum. Kwin koopt een verzekering. Philip heeft die niet nodig omdat zij voor de meeste landen al een internationale verzekering hebben geregeld van te voren.

Terug bij de douane blijkt dat ze daar de internationale verzekering niet accepteren. Er staat heel duidelijk op Philips verzekeringspapieren dat Panama gedekt wordt. Maar het is geen lokale verzekering, dus ze blijven het weigeren. Dus stappen de heren weer in de taxi naar het winkelcentrum en koopt ook Philip een lokale verzekering. Waarna ze weer in de taxi stappen naar de douane. Nu is de douane wel tevreden en krijgen ze allebei een autopaspoort.

Tijd voor stap drie in het proces: het havenkantoor. Daar moet de haven betaald worden. Onze helden laten de bestempelde vrachtbrief zien. Nou, zo’n vreemd document heeft de mevrouw nog nóóit gezien. Nee, echt geen idee. Collega, weet jij hoe het zit? Nee ook niet hè? Kijk die vrachtwagenchauffeurs hebben allemaal een geel briefje, hebben jullie dat niet ook nodig? Ik weet het niet hoor, ga eerst maar eens langs die andere loketten verderop.

Licht verontrust beginnen Kwin en Philip de jacht naar zo’n geel briefje. Er zijn vier loketten. Bij ieder loket scoren ze een nieuw stempel op de vrachtbrief, onder andere voor dat de auto niet geïmporteerd wordt in Panama. Maar geen geel briefje. Omdat de loketten op zijn gaan ze toch maar weer terug naar de mevrouw. Even kijken wat er gebeurt voordat ze weer helemaal terug gaan naar Seaboard om een ‘papel amarillo’ te vragen.

Op mysterieuze wijze hebben de vier stempels op de vrachtbrief dit document getransformeerd tot een volkomen logisch en rechtsgeldig briefje. De mevrouw weet opeens feilloos wat er nu moet gebeuren en hoeveel dat kost. Kwin en Philip zijn blij verrast. De verbazing is minimaal. Dit keer kan het bedrag voor het unloaden direct aan het loket betaald worden, waarna ze nog een stempel rijker zijn.

Met alle openstaande rekeningen betaald en alle papieren verzameld gaan ze terug naar de ingang van de haven. Daar moeten ze zich officieel inschrijven en hun veiligheidshesjes aantrekken. Ze worden in een busje geladen om naar de unloading en drugsinspectie te gaan. Daar leveren ze alle relevante papieren in. Nu moet de container worden gezocht. Dit gaat vrij snel, binnen een uur wordt hij bij het douanekantoortje afgeleverd.

Voor het uitladen is er een mannetje met een betonschaar, een mannetje van de verzekering met een fototoestel, een mannetje die een oprijplank voor de deur legt en twee mannetjes voor het sjorren aan de touwen. De betonschaar rekent af met het zegel en de deur gaat open. De twee spanbanden die de achterwielen van de Landcruiser vasthielden zijn gebroken. Oh dear. De verzekeringsman begint enthousiast te klikken met zijn toestel. Het is even heel spannend. Bij nadere inspectie blijkt dat de jeep naar voren is geschoven, maar nét niet tegen onze Ford aan. Kwin ademt weer rustig uit. Crisis averted.

Philip en Kwin maken zelf de touwen los, en rijden de auto’s eruit. Nu is het wachten op de drugscontrole met de honden. Ruim een half uur later arriveren ze en nog een half uur later zijn de auto’s goedgekeurd. Dit gaat uiteraard gepaard met een speciaal papiertje met speciaal stempel. De heren geven de hulptroepen een al of niet vrijwillige tip. Behalve drugsvrij moeten de auto’s ook bacterievrij zijn, en ze rijden naar het sproeistation voor de desinfectie. Kost een tientje, maar dan heb je ook je allerlaatste benodigde papier-met-stempel te pakken.

De laatste stap voor het bevrijden van de auto’s is het verlaten van de haven. Kwin en Philip tonen de autopaspoorten en verzekeringen en leveren verschillende gestempelde papiertjes in.

En voila! Just like that zijn de auto’s geheel legaal de haven uit en Panama in. En dat alles in een luttele 12 uur.

De heren komen trots hun prestatie melden aan de dames in het hotel. Wij zijn gepast onder de indruk. Een mooie afsluiting van de dag is wel aan de orde met een diner. Het enige open restaurant is de McDonalds. Ik blijf nog even rustig voor pampus liggen in het hotel. Kwin zoekt voor de Mac nog naar iets simpels te eten voor mij, maar het rondje dat hij om het blok van het hotel loopt is zodanig griezelig en zonder resultaat dat hij het op moet geven. Morgen gaan we snel weg uit Colon.

Tijd voor Centraal Amerika!

 

Posted in Colombia, Panama, Panamericana | Comments Off on Cartagena – Panama: niet voor beginners

Koffieloos in Colombia

De grensovergang verloopt weer soepel, de Colombiaanse douane is ongelooflijk aardig. De jongen achter de balie heeft een Engels leerboek naast zich liggen, en lijkt oprecht enthousiast over onze aanwezigheid. We krijgen een welkomstpakketje met onder andere een aantal postkaarten. Gratis gefrankeerd. Kunnen we overal heen sturen waar we willen. Ook de auto’s zijn geen probleem. De standaard formulieren. Wat stempels. Een snelle controle van de auto. Daar hadden we nog van alles in mee kunnen smokkelen. Maar ja, wie gaat er dan ook iets Colombia ín smokkelen.

We rijden weg bij de grens met een intens gevoel van anticlimax. Is dit nou het land waar onze regering ons afraadt om heen te gaan? Niet alle gebieden hoor, maar wel het gebied waar we nu zijn. In plaats van corruptie, enge mannetjes en ingewikkelde procedures vestigen we een nieuw record ‘vriendelijkste welkom in een nieuw land’.

Zou het niet aardig geweest zijn als ze ons ook even hadden geïnformeerd over de chaos iets verderop?

Ondanks het mooie welkom zijn we toch wat nerveus. Een ervaren reisleider heeft Philip en Nadine van harte aangeraden om niet na vijf uur ’s middags nog onderweg te zijn. Dan zou de politie naar huis gaan en het een stuk minder veilig zijn. We stellen dus een avondklok voor onszelf in, wanneer we echt bij een hotel willen zijn.

Onze eerste stop is een bijzondere kerk die boven een rivier is gebouwd in een ravijn. Het ziet er prachtig uit van een afstandje, en we nemen genoegen met een foto’tje met zoom. Het loopt immers al tegen vijven, en het is tijd om een hotel te gaan zoeken. We besluiten terug te rijden naar een hotel dat we dicht bij de grens hebben gezien. Het blijkt niet makkelijk om hier een redelijke deal te maken. Ze willen ons geen speciale ‘we slapen alleen op de parkeerplaats’ prijs geven, we moeten een kamer nemen. En dan mogen we zelf weten waar we gaan slapen. Uiteindelijk komen we eruit. Waarna de beveiliger nog apart om een bijdrage vraagt voor zijn bewaking.

De volgende dag staan we op tijd op om naar Popayán te rijden. Het ontbijt zit bij onze 4-persoons kamer inbegrepen, dus we schuiven aan. Het is geen buffet maar er wordt op bestelling geserveerd. Leuke service, al kost het wel meer tijd.

Uiteindelijk hebben we onze roereieren met verdwaalde stukjes bacon. Wanneer we opstaan wil de mevrouw dat we extra betalen voor het spek. Daar hadden we immers extra om gevraagd en zat niet bij het ontbijt inbegrepen. Gezien dat op geen enkel moment vermeld is bedanken wij voor deze bijbetaling. We worden vervolgens niet neergeschoten bij vertrek, dus ze zullen ons gelijk wel hebben ingezien. Of misschien zien ze ons achtergelaten benzinetankje als verzoeningsoffer. Wij zijn er in ieder geval van verlost en zullen niet langer bedwelmd door benzinedampen over de panamericana scheuren.

In Ipiales stoppen we even om een kopie te maken van onze Colombiaanse autopaspoorten. We komen langs een bakker en continueren onze belangrijke taak van het testen van de lokale lekkernijen. Bij het afrekenen vraagt de bakkersmevrouw waar we heen gaan, en zegt vervolgens ‘maar die weg is geblokkeerd’. We hopen dat we haar verkeerd begrepen hebben in het Spaans. Dat zien we bevestigd wanneer de hoofdstaat van het dorp is afgesloten voor een of andere manifestatie. Er is file bij de omleiding, maar we komen er langzaam doch gestaag langs. Gelukkig maar!

Echter. Zo’n 100 kilometer verder stuiten we op een stilstaande file van vrachtwagens. Dat lijkt niet voor ons bedoeld dus we rijden er langs. De vrachtwagenslinger eindigt bij een politiepost. We mogen door, maar de weg is verderop geblokkeerd door ontevreden koffieboeren (cafeteros). Die willen betere prijzen voor hun bonen, omdat ze nu zo weinig krijgen dat ze vrijwel worden gedwongen om coca te gaan verbouwen. Kunnen ze natuurlijk ook niet doen, maar hoe geef je je kinderen dan te eten. We vinden het doel een stuk sympathieker dan het middel.

Gelukkig is er iets verderop een omleiding om de blokkade. Daar staat weer politie. We kijken dubieus naar het modderige eenbaans karrespoor van zand en wat stenen. Maar de politie zegt dat het geen probleem zou moeten zijn met onze auto’s. We moeten nog wel even wachten op wat vrachtwagens (!) die van de andere kant schijnen te komen. Na een tijdje worden we toch verder gewuifd, om natuurlijk 50 meter verder die vrachtwagen tegen te komen. Het gaat net, maar het scheelt niet veel of we komen vast te zitten in de berm. Nat gras is niet het beste wegdek om met onze 3-tonner zonder 4×4 een hellingproef te doen.

Onze Zwitserse vrienden rijden geruststellend voor ons uit met hun Landcruiser inclusief winch. Het is maar de vraag is of ze ons omhoog zullen kunnen krijgen uit de berm wanneer ze zelf op een hellend glibberig vlak staan, maar toch. We beleven vele spannende minuten van haarspeldbochten en slechte weg, waarbij we te hard over de stenen en gaten moeten rijden om genoeg vaart en grip te houden.

Na een kleine 20 minuten gaat het mis. Een pick-up van de politie wil dat wij ruimte voor hem maken, terwijl hij naar beneden gaat. Het is heel krap en we moeten stoppen en achteruit rijden op een vrij stijl stuk modder.

De politie kan er net langs en de landcruiser gaat verder. Kwin geeft ook gas. We slippen weg. Kut. Hij probeert het nog een keer, weer bewegen alleen de achterbanden enthousiast. Dan begint de auto achter ons te toeteren en probeert ons via de greppel in te halen. Tot ons grote genoegen komt deze ongeduldige wegpiraat vervolgens zelf vast te zitten. En tot ons nog grotere genoegen lukt het ons lieve busje zeven pogingen later toch om weer in beweging te komen. V8 powerrrrrrr!!

Helaas staan er om de bocht nog twee auto’s te wachten om te passeren, waardoor wij heel dicht naar de modderige greppel moeten sturen om er langs te kunnen. De auto begint achter naar rechts te slippen. We glibberen langs de andere auto’s maar moeten nog steeds vechten voor grip. Een paar lange seconden is het onduidelijk of we de weg op of de greppel in zullen schieten.

Dan krijgen we toch weer houvast en zijn weer midden op de weg. Om vervolgens het houvast weer kwijt te raken en weg te slippen naar de andere kant. Je weet wel, die ene met de afgrond. Kwin krijgt de Ford net op tijd weer onder controle. Met grote ogen en het hart in onze keel rijden we verder. Nu vaart houden!

Er zijn nog een paar zorgwekkende momenten waar we te veel moeten inhouden of tegenliggers moeten passeren, maar we blijken het ergste gehad te hebben. Er is nog wel een splitsing zonder aanwijzing voor links of rechts. Sjiek hoor, op deze omleiding van de politie. De volgende verrassing is een setje slagbomen. Net na een afslag op een iets betere kiezelweg. Zou deze ‘desvio’ dan toch niet helemaal open zijn? Moeten we terug?

Nee. Het blijkt een bemand tolhokje. Tol! In het midden van het niets op een kiezelweg. Je maakt wat mee hier. We verstaan de man met slechts enkele tanden nauwelijks, maar uiteindelijk begrijpen we het bedrag en betalen we maar. We peinzen er niet over om nu nog terug te gaan.

En daar is het dan. Asfalt! We doen een vreugdedansje vanuit onze stoel en draaien dolgelukkig weer de panamericana op.

De Panamericana is gezegend rustig hier. We komen langs de politiepost aan de andere kant van de blokkade, en zien maar een paar vrachtwagens in deze rij staan. Hmmm. Ze zullen verderop al wel weten dat het hier vast staat. We genieten verder van een geniale honderd kilometer panamericana. Met bijna geen tegenliggers en geen bussen of vrachtwagens om in te halen is het heerlijk rustig en snel rijden. We genieten van de omgeving, die alweer veel meer jungle en regenwoud-achtig is. We zijn ook in ons nopjes met de wegen. Hier en daar zijn ze erg slecht met veel gaten, maar er zijn ook veel stukken hersteld of zelfs glimmend nieuw. Veel beter dan andere reizigers ons hadden doen geloven. (‘Oh my god, like, the worst roads IN THE WORLD!!!’)

Dan is ons geluk op. We moeten stoppen voor een volgende politiepost. Wat nu weer? Nou, iets verderop is een volgende blokkade van cafeteros. En dit keer is er geen omleiding. We moeten wachten. Hoe lang? Geen idee, die blokkades zijn al drie dagen aan de gang.

Drie dagen!?!! En bedankt vriendelijke Douane, voor de waarschuwing. En bedankt politieposten nummer 1 en 2, voor de zo volledige informatie over alle blokkades die overal in deze hele regio blijken te zijn op de panamericana. Hadden we geweten dat het om meer dan één blokkade ging, dan hadden we de moeite van die eerste omleiding niet genomen.

Zoals genoemd wordt deze regio afgeraden door Buitenlandse Zaken. Waarom dan toch gaan? Tja, we zijn ondertussen al op verschillende plaatsen geweest waar ons ministerie ons liever niet op vakantie stuurt en we hebben nooit wat gemerkt. Bovendien is het verschepen naar Centraal Amerika praktisch onuitvoerbaar gebleken vanaf iedere plek behalve Colombia. En hebben we de afgelopen weken zoveel positieve verhalen gehoord over Colombia van medereizigers (‘mooiste land van onze reis, zo lang je op de panamericana blijft is er niets aan de hand’), dat het niet meer in ons is opgekomen om nog en extra controle te doen. Beetje dom.

Nu staan we vast tussen twee blokkades bij een benzinestation aka hotel aka restaurant. Terwijl we daar naast de weg staan om samen te overleggen worden we omringd door locals die ons enthousiast vertellen over het plan om met een aantal auto’s een omleiding te gaan rijden. Nee dat is niet gevaarlijk want een van de mannen kent de regio. Gezien de politie ons net verteld heeft dat er geen desvio is staan wij wat sceptisch tegenover dit plan.

Ik vraag het nog een keer aan de militairen. Die zeggen dat er inderdaad een weg is, maar dat daar ook guerilla’s zijn. En dus ‘no es recomendable’. De militairen lijken hier geen mietjes (herinnert u zich die politiepost die onze forse Ford zonder blikken of blozen de vorige desvio in stuurde?), dus volgen we hun advies en slaan het aanbod van het konvooi af. We willen best wel graag onze boot halen in Cartagena, maar we willen nog net iets liever zonder schade aan auto en lijf het land verlaten. We parkeren bij het tankstation/hotel/restaurant. En we beginnen met wachten.

Wij houden niet zo van wachten. En hier al helemaal niet. Het is erg druk bij het hotel en restaurant, en veel mensen zijn hier duidelijk al meerdere dagen. Lang niet iedereen heeft nog een hotelkamer weten te bemachtigen. Mensen slapen in de bus, buiten onder het afdak van het tankstation of met zeven mensen op één kamer met twee bedden. We maken ons wat zorgen hoe mensen zullen reageren op twee buitenlandse goed uitgeruste auto’s.

We krijgen wat verzoeken van iemand die met ons mee wil rijden naar Cartagena en wat jongens die in onze auto’s willen slapen. We slaan de verzoeken vriendelijk af en smeren een lunchbroodje. De sfeer lijkt vrij ontspannen, en uiteindelijk zetten we onze tuinstoelen maar buiten en eten zo ook onze avondmaaltijd gezellig op het tankstation.

Er zijn schone openbare toiletten. Er is geen douche. We slapen in onze bus zonder het dak omhoog te doen. We willen geen extra aandacht voor onze camper. Philip en Nadine doen ook hun daktent niet omhoog, en slapen opgepropt achterin. Niet comfortabel, wel veiliger. De nacht is een plakkerig warme aangelegenheid met veel herrie. Er zijn de hele nacht nog mensen aan het praten en de TV op het terras van het restaurant naast ons blijft aan. Van echt slapen is geen sprake, maar we rusten genoeg uit voor de activiteit van de volgende dag: wachten.

We ontbijten en zetten de tuinstoelen weer buiten. Heerlijk pittoresk. Het is onduidelijk of en wanneer er weer onderhandeld zal worden met de cafeteros. We maken er het beste van, pakken de tafel erbij en spelen verschillende ronden DOG. Dit is een versie van Mens Erger Je Niet met kaarten in plaats van dobbelstenen.

Tijdens het vierde spelletje wordt het onrustig. Er komt een vrachtwagen aan met veel joelende mensen. Met stokken. De ontevreden cafeteros. Dus bus stopt voor de politiepost en blijft een tijd staan. Steeds meer cafeteros stappen uit met hun stokken. Er klinken af en toe stemverheffingen en opjuttende kreten. Best een beetje griezelig.

We besluiten dat het onverstandig is om op dit moment gehaast onze spullen in de auto’s te gaan zetten, dus gaan we door waar we mee bezig zijn. Het is ons spannendste potje Mens Erger Je Niet ooit. Onze mede-tankstationbewoners lijken wel geïnteresseerd maar niet bezorgd. Maar ja, die leven al decennia lang met guerrilla’s in hun achtertuin. Het potentiële geweld met alleen maar stokken van vijftig meter verderop lijkt hen niet van slag te brengen. Wij verwende westerlingen kijken met grote ogen naar de pionnetjes op het bord.

De boel escaleert en opeens is er ook een blokkade van de cafeteros net voor het tankstation. Nu kunnen we officieel niet meer terug en zitten we vast tussen twee blokkades van boze boeren. Ehm, help?

Voor het opzetten van de blokkade gebruiken ze een vrachtwagen die niet snel genoeg uit de weg is gegaan. Op TV hebben we van andere blokkades dat soort vrachtwagens in de fik zien staan. Wanneer de bedrijvigheid wat is bedaard kunnen we ons niet meer inhouden. We doen een poging om zowel nonchalant als zo snel mogelijk onze spullen in de auto te zetten. We maken onze bolides verder rijklaar en doen ze op slot. Als het verder escaleert kunnen we altijd instappen en wegrijden. (Maar ja, waarheen dan?)

Daarna beginnen we met rondhangen op het terras. Dat is verrassend slopend. We weten dat die cafeteros op ieder gewenst moment hun onvrede op een andere manier kunnen gaan uiten. En dat we er bijzonder weinig aan kunnen doen als ze besluiten de boel kort en klein te komen slaan.

Na een uur wordt de blokkade net zo plotseling weer opgedoekt als hij ontstaan is. Langzaam verdwijnen de laatste cafeteros van voor het benzinestation. Wij blijven achter met rinkelende zenuwen.

We overleggen wat we het beste kunnen doen. Het voelt hier niet veilig meer, maar als we verder rijden komen we dichter bij de volgende blokkade en guerillas. En terug rijden lijkt ook niet zinvol, we kunnen ons niet herinneren daar iets beters te hebben gezien. Uiteindelijk vragen we het weer aan de politie. Die zegt dat als we hier onderdak hebben, we het beste hier kunnen blijven. We parkeren nog wat dichter bij het restaurant (en verder van de enge blokkade van daarnet) en gaan verder met wachten.

Het duurt even voordat we ons weer kunnen concentreren op lezen of schrijven. Wanneer we net onze boekjes er weer bij hebben gepakt worden we gebeld door ons mannetje van de boot. Goede service, en wij zijn blij van hem te horen. Nu weet hij dat we nog proberen de boot te halen, maar dat we geen idee hebben wanneer we verder kunnen. Hij adviseert ons ook om te blijven waar we zijn, zeker met de militaire post voor de deur. Met deze bevestiging dat we het beste kunnen blijven waar we zijn keert langzaam de rust weer.

Even later verdwijnt al onze sympathie voor de boeren wanneer blijkt dat het 1-jarige meisje van een van de tankstationbewoners een lelijke snee in haar hand heeft van een glasscherf. Al een paar dagen. En de wond gaat niet goed dicht met dit klamme zweterige weer. De koffieboeren willen ze niet langs laten om naar de dokter te gaan. Stelletje fuckers. We hebben wel twee keer een ambulance langs zien rijden, maar de moeder is niet verzekerd en heeft geen geld om hem te betalen. We hopen erg voor haar dat het niet gaat ontsteken.

Aan het eind van de middag is er goed nieuws op hygiëne-front: we mogen even douchen op de kamer van de man van het restaurant. Het is zo warm en vochtig dat we snel weer plakkerig zullen zijn, maar dan is het wel verse plak. Verder besluiten we na de berichten op het nieuws over benzineschaarste om onze dorstige V8 vol te tanken. Staan we toch niet voor niets op het tankstation. En dan kunnen we zodra de blokkades open gaan doorknallen tot na het probleemgebied. De tijd zal het leren of het verstandig is ons geld aan dit zwarte goud uit te geven in plaats van aan extra eten en drinken. Dat hangt er nogal vanaf hoe lang het nog duurt.

We hebben nog maar één complete avondmaaltijd, en besluiten op rantsoen te gaan. Hebben we morgen ook nog wat boontjes, vlees en aardappels. Tijdens het avondnieuws zit iedereen op het terras te kijken. Er gaan verschillende collectieve zuchten door het publiek als ook het volgende item weer over de Paus gaat. We zijn het allemaal roerend met elkaar eens: we couldn’t care less over het vervroegde pensioen van een bejaarde man in jurk. Wij zijn hier met z’n allen gestrand in Colombia, mag het Colombiaanse nieuws daar misschien even over gaan?

Wanneer dat eindelijk het geval is (een kort item) wordt verteld dat ze er nog niet uit zijn. Dat verbaast ons weinig. We begrijpen sowieso niet zo goed waarom ze eisen stellen aan de regering. Het zijn immers eigen bedrijven, en die bedrijven worden betaald door de koffiehandelaren. Die zouden dus meer moeten betalen, niet de regering. We vragen het na terwijl we een poging doen de hand van het meisje hygiënisch te verbinden met onze eerstehulp voorraad. (Het ziet er niet goed uit, het handje is opgezet, de snee gaat niet dicht en het vlees komt wat naar buiten. Ontsmetten, bij elkaar houden en dichtbinden dan maar.) De moeder legt ons ondertussen uit dat er een ministerie van koffie is in Colombia, en dat die de prijzen bepaalt. Ah, dat verklaart een hoop.

De regering zal wel vast zitten tussen lage koffieprijzen (waardoor de cafeteros te weinig verdienen en ze richting de cocahandel geduwd worden) en hoge koffieprijzen (waardoor de koffiehandelaren uitwijken naar andere koffielanden, de cafeteros te weinig verdienen en ze richting de cocahandel geduwd worden). Waarom zouden ze anders voor een prijs kiezen die de boeren richting armoede drijft terwijl ze ook druk bezig zijn het drugsprobleem aan te pakken. En op zich subsidieert Europa ook enthousiast haar boeren, dus waarom hier dan niet. Maar dat voelt toch anders bij een land dat het geld zo hard voor andere dingen zou kunnen gebruiken. Aan het aanpakken van het drugsprobleem betaalt Amerika overigens sterk mee. De politieagenten hebben allemaal kleren en spullen met Amerikaans logo.

Tja. Met die overpeinzingen kruipen we dan maar weer onder de wol op het slaaplied van dronken mannen en informatieloze TV.

De derde dag op het tankstation verloopt zonder incidenten. We bakken pancakes voor de lunch. Omdat het lekker is natuurlijk, maar ook omdat ons brood op is. We spelen Mens Erger Je Niet en falen daar jammerlijk in. We horen iedere dag de hele dag door dat het over een paar uur of toch zeker morgenochtend opgelost zal zijn. Af en toe komt iemand enthousiast vertellen dat ze deze middag een poging gaan wagen door te rijden. De meesten blijven vervolgens de hele dag geparkeerd staan. Sommigen vertrekken, en komen een paar uur later weer terug. Een enkeling vertrekt en zien we niet meer terug. Die heeft zijn kansen genomen met de omleiding met guerillas, en hopelijk gewonnen.

Wanneer de derde nacht zonder incidenten is verlopen en dag vier op het tankstation begint besluiten we tot een krijgsraad. Het is moeilijk overleggen in een situatie waarin je gewoon niet genoeg informatie hebt om ‘de juiste’ beslissing te nemen. En bovendien iedereen anders denkt en met name voelt over dingen als wachten en risico’s. Na lang en moeilijk beraad besluiten we om een stuk terug te rijden naar een groter dorp.

Hoewel het gister rustig was kijken we nog steeds bezorgd op wanneer er cafeteros langsrijden of lopen. Het voelt hier gewoon niet echt veilig, en we hebben nauwelijks nog lokaal geld om eten te kopen. Onze eigen voorraden zijn vrijwel op. In een groter dorp hopen we een pinautomaat en winkels te vinden, en een rustiger plek om te staan. Aan de andere kant rijden we dan wel de verkeerde kant op, en is er het gevaar dat als straks de blokkades open zijn, we niet meer genoeg benzine hebben om daadwerkelijk verder te rijden. Argh!

Op weg naar het grotere dorp rijden we door het gehucht Remolino. Daar zien we een hotel met afsluitbaar binnenhofje aka parkeerplaats. We informeren, en na wat onderhandelingen mogen we er met twee auto’s staan voor 6 dollar per nacht. Dat scheelt, want dollars hebben we nog wel uit Ecuador. Het staat hier een stuk rustiger, en we kunnen onze tuinstoelen buiten zetten zonder voortdurende observatie door extreem verveelde tankstationbewoners. Er staat een mangoboom en wat potplanten, en er wonen drie papegaaien in het hofje. Nog niet die ultiem pittoreske camping waar we naar uitzien, maar een oase van rust vergeleken met onze vorige wachtpost. En ze hebben een koude douche! Goddelijk.

We eten pancakes bij het ontbijt. We eten pancakes bij de lunch. We eten soep met omelet voor het diner. We beginnen aan het volgende boek. We hebben ongelooflijke jeuk van de achtenzeventig sandfly beten per persoon. We eten pancakes bij het ontbijt. We eten pancakes bij de lunch. We eten soep met omelet voor het avondeten. We zijn innig gelukkig met een biertje dat we voor dollars mogen kopen van het hotel. Drie keer raden wat we de volgende ochtend en middag eten. Dat pak pancakemix van de Safeway blijkt een life-saver. Nu is het avondeten op. Gelukkig mogen we weer met dollars betalen bij het restaurant van het hotel. Het eten is prima.

Het is echt onwaarschijnlijk hoe geestdodend het is om te wachten zonder uitzicht op een oplossing. We beginnen wat beter te begrijpen waarom de mensen hier in dit gehucht over het algemeen wat langzamer lopen en niet allemaal even veel vitaliteit uitstralen. Wanneer er weinig mogelijkheden zijn om dingen te veranderen of af te wisselen sijpelt de energie langzaam weg. Wij zijn na drie dagen eten in het restaurant hartgrondig uitgekeken op dezelfde rijst, aardappels en vlees. Iedere dag precies hetzelfde doen en zeker ook eten is in alle mogelijke opzichten oorverdovend SAAI. En terwijl er tijd genoeg is voor schrijven, zit ik nu dit blog maanden later pas af te maken vanuit Amerika. Stom, maar terwijl we daar zitten kunnen we de energie uit pure verveling niet opbrengen.

Overdag worden we omcirkeld door een uitzonderlijk nieuwsgierig 6-jarig meisje dat veel praat en het liefst alles aanraakt. Hoe zeg je subtiel in het Spaans dat je nu aan het lezen bent en of ze even ergens anders kan gaan spelen? Hoewel ze dus nog weinig gevoel heeft voor persoonlijke ruimte en tijd blijkt ze al wel best goed te kunnen schrijven en een beetje te kunnen rekenen. Ze heet Katalina, en ze houdt van dieren en extreem roze spullen. Een paar dagen later komt haar moeder terug (die zat elders vast achter blokkades) en begint Katalina ons net zo hard te negeren als dat ze eerder onze aandacht probeerde te krijgen. Opeens missen we het wegvallen van deze vrolijke stoorzender.

We hebben onze boot gemist. $*#$$@* En ons geld raakt op. De grote waterzakken, die we niet bij ons hotel kunnen krijgen, moeten we in pesos betalen. We starten weer een moeilijke discussie over wat we nu het beste kunnen doen. Waarschijnlijk (maar niet zeker) kunnen we in Pasto wel geld krijgen, en we hebben daar een Carrefour gezien. Pasto ligt echter achter de eerste blokkade waar we omheen zijn gereden. We zien niet uit naar die omleiding, en hoewel je af en toe met een politie-escort deze eerste blokkade schijnt te kunnen passeren weten we dat ook niet zeker. En het is niet onwaarschijnlijk dat het in Pasto ook moeilijk aan brandstof komen is.

Het is ook maar de vraag of die blokkade de komende tijd nog een keer gaat oplossen. Hoewel ze hier wel vaker dit soort stakingen hebben (en wat gaat dat lekker makkelijk, met maar één hoofdweg door het land) duren die doorgaans niet langer dan 3 tot 5 dagen. Deze duurt al meer dan een week. We voelen ons zeer vereerd om getuige te mogen zijn van deze historische gebeurtenis, daar niet van. Maar het geeft geen enkel houvast voor hoe lang het zou kunnen duren. En die cafeteros zijn ondertussen wel onze vakantieplanning vrij grondig aan het verstieren. Als we de volgende boot ook niet halen is het maar zeer de vraag of we het moeten blijven proberen. We moesten met de vorige boot al best wel gaan haasten door Centraal Amerika om nog genoeg tijd te hebben om Amerika en Canada te zien én ons busje proberen te verkopen of verschepen.

De moeilijke conclusie is dat we in Zuid-Amerika zullen blijven als we de volgende boot niet halen. Dan missen we een groot deel van de panamericana, maar we verdoen dan niet nog meer tijd met wachten op saaie plekken met te weinig geld. En dan kunnen we nog wat meer van Argentinië en misschien Brazilië zien, en onze auto weer in Chile verkopen. Ook erg vervelend dat we ons dan niet meer aan onze afspraak houden om samen met Philip en Nadine te gaan verschepen, maar we zien voor ons even geen betere oplossing. Zij moeten wel echt naar Amerika, omdat ze daar met hun ouders hebben afgesproken die dan nog een maand verder reizen met hun auto.

We rekenen het uit, en het komt erop neer dat als we over vier dagen niet kunnen vertrekken, we de volgende boot missen. Dan zullen we nog kijken of er een optie is om vanuit Ecuador te verschepen naar Mexico. Hoewel we die niet eerder hebben kunnen vinden, wat de hele reden is dat we nu in Colombia zijn. Dan zouden we Centraal Amerika missen, maar kunnen we nog wel de rest van de panamericana doen. En de natuurparken in Amerika zien. En genieten van de prettig bekende westerse cultuur en service aldaar.

Dan is er ook nog de discussie waar we zullen wachten. Hier staan we rustig en relatief veilig (het schijnt ondertussen bij het benzinestation minder gezellig te zijn), maar we hebben niet genoeg eten en/of lokaal geld. Je kunt via de omleiding met een ‘collectivo’ (gewone auto die dienst doet als taxi en misbruikt maakt van de situatie door heel veel te vragen) naar Pasto. Daar kunnen we (waarschijnlijk) geld en eten halen. Misschien lukt het ook om ons geld te laten sturen door Manfred. Dat is ons mannetje voor de boot in Cartagena, en een ware held. Hij heeft alles voor ons klaarstaan in Cartagena, geregeld dat we zonder extra kosten ook de volgende boot kunnen nemen, ons lokale prepaid beltegoed opgehoogd zodat hij ons kan bereiken en aangeboden ons geld te sturen. Dat kan via een soort postkantoor dienst.

Even tussendoor: de bedrijven van de prepaid telefoon chips zijn echt boeven hier. Wanneer je je tegoed ophoogt, is het maar een beperkte tijd geldig. Wij dachten: we hoeven niet zo veel te bellen dus een paar euro beltegoed is prima. Krijg je na DRIE DAGEN een sms dat je niet meer kunt bellen maar dat als je opnieuw je tegoed ophoogt binnen dertig dagen, je je oude tegoed weer terug krijgt. Eikels.

En over eikels gesproken: ondertussen hebben ook de vrachtwagenchauffeurs en de cacaoboeren meegestaakt. Er is een tijd nog veel meer geblokkeerd geweest, maar met die twee groepen heeft de regering wel vrij snel een overeenkomst bereikt. Lekker makkelijk, moeten ze gedacht hebben. De vrachtwagens staan toch al stil door de blokkades van de cafeteros, kunnen we net zo goed onze wagens schuin over de weg parkeren en ook wat eisen stellen. We begrijpen nog wat beter waarom de regering niet meer tegemoet wil komen in de eisen van de cafeteros: dan hebben ze straks iedere dag blokkades van groepen die dat wel een handige manier vinden om wat extra’s te krijgen.

Er zijn nog meer eikels. Een paar dagen terug was er in Bogota een overeenkomst met de cafeteros, maar daar waren veel mensen in het land het niet mee eens. Dus hebben ze de oproep om te stoppen met de paro (blokkade) genegeerd. Daarbij schijnen veel mensen bij de blokkades niet zozeer of alleen koffieboeren te zijn, maar ook veel ordinaire criminelen. Die proberen het geweld aan te wakkeren en de blokkades dicht te houden. Er zijn hier veel mensen die verdienen aan het voor veel geld ‘smokkelen’ van mensen en goederen langs de blokkades.

Om het verhaal over ongure figuren helemaal rond te maken is er nog het mooie park met huisjes achter ons hotel. Het heeft een zwembad, is goed onderhouden en wordt bij de ingang bewaakt door twee guerilla’s. Gewoon, in klaar daglicht. Mannen gehuld in legerkleuren en geweren, zonder de badges van de politie. Je ziet ze soms ook langsrijden op brommers. Een onwaarschijnlijk gezicht voor ons westerlingen. We kunnen ons er wel wat bij voorstellen dat ze het maar laten. Na zo veel geweld en doden bij pogingen er vanaf te komen, is soort van vredig samenleven vast een opluchting. Dat geeft de risico’s van af en toe een incident en de verleidelijke carrière keus van je kinderen (zou jij niet ook in dat mooie park met zwembad willen wonen?), maar je krijgt er relatieve vrede voor terug. Ja, daar zouden wij misschien ook wel voor tekenen.

En dan horen we op de avond van onze negende uitzichtloos lange dag wachten op het nieuws dat ze er bijna helemaal uit zijn. Het is een kwestie van uren voordat de blokkades worden opgeheven. We zijn voorzichtig enthousiast. Dat het over een paar uur is opgelost, dat hebben we wel vaker gehoord. Maar ‘s nachts is er al veel vrachtverkeer op de weg en de volgende ochtend lijkt het dan echt zo ver. Alle vrachtwagens staan in het dorp op en langs de weg opgesteld om zo snel mogelijk te vertrekken. Wij rijden langs de vrachtwagenfile, maar mogen aan het eind van Remolino nog niet doorrijden van de politie. Terwijl we op het verlossende woord wachten worden we een laatste keer opgevroten door de boosaardige bijtvliegjes. Jeuk, jeuk, jeuk.

Opeens begint de politieman druk naar ons te zwaaien dat we snel moeten gaan rijden. Typisch. Nu is er opeens haast. Overal zie je vrachtwagenchauffeurs naar hun bolide rennen. Ook Kwin komt eraan gesprint op zijn slippers nadat hij de situatie was gaan verkennen. Ja! We zijn weer onderweg! Gelukkig voor de meute vrachtwagens uit, over hetzelfde stuk dat we tien dagen geleden (TIEN DAGEN) al een keer hebben gereden naar het benzinestation. We rijden achter de andere gewone auto die stond te wachten. Het is de eerste keer dat we een auto netter zien rijden dan we zelf ondertussen doen in het kamikazeverkeer van zuid-Amerika.

Bij ons oude vertrouwde benzinestation staan we weer stil. Dit keer staat er een lange file op de weg. We groeten onze vertrouwde militairen van de post daar. Die arme mensen zitten per roulatie op zo’n post. Achttien maanden per post. Pfff. Wij werden na drie dagen al helemaal gek op dat tankstation.

We staan daar nog een half uurtje. We kletsen nog wat met een Nederlands stel dat een paar dagen na ons aankwam op het benzinestation en daar al die tijd is gebleven. Ze vertellen dat ze ‘s avonds gebroederlijk met alle vrachtwagenchauffeurs kippen hebben geroosterd bij de rivier. En gevoetbald hebben op het tankstation. Helemaal zen dus, al denk ik niet dat wij het nog zo hadden kunnen ervaren na de problemen die daar eerst waren. Oh well.

Dan zien we alle broederschap als sneeuw voor de zon verdwijnen wanneer de vrachtwagenchauffeurs vertrekken. Dit gaat gepaard met het verdwijnen van de autoriteit van de politie. Nu het zo dichtbij is zijn alle wachters te ongeduldig geworden. De politie probeert ons nog te stoppen, maar er is geen houden meer aan nadat er ergens iemand begonnen is met weggaan. De chauffeurs snijden elkaar naar hartelust af en gooien alles in de strijd om vooraan de karavaan te komen. Het samen roosteren van kippetjes is verleden tijd.

Daar gaan we dan. We zien al snel dat het maar goed is dat we niet hebben geprobeerd om met omleidingen om alle volgende blokkades te komen. Die zijn allemaal vers opgeruimd, en het asfalt rookt hier en daar nog na van de grote vuren die daar duidelijk gewoekerd hebben. Er zijn hele kampen langs de kant van de weg geweest. Inclusief waterleidingen. Veel van de cafeteros staan nog langs de weg, en juichen ons nu toe. Jaja, lachen met jullie. Het lijkt erop dat de mensen die deze staking hebben georganiseerd achter de schermen (die zijn er vast) veel energie hebben gestoken in het vervoeren van mensen naar de staking. Maar niet in de terugweg. Mensen staan er een beetje verloren bij.

We rijden langs een stuk of tien smeulende stukken weg met ex-stakers met hun stokken. We zijn erg blij dat ze nu in overwinningsstemming zijn. Er zijn hier en daar wat files van wegwerkzaamheden, maar verder valt de drukte heel erg mee.

Het eerste uur voelen we ons nog zeer tekort gedaan door Colombia en de verloren vakantiedagen. Dat houden we echter niet lang vol. Ongelooflijk, wat een mooi land! Alleen het uitzicht vanuit de auto is al overdonderend. We rijden over een bergweg met intens groene jungle met uitzicht over prachtige valleien met mystieke mist. De natuur is uitbundig en felgekleurd. De hutjes die hier en daar langs de weg staan zijn minder glorieus. Mensen wonen daar in tenten gemaakt van plastic. Ze maken gebruik van stukken slechte weg om daar te bedelen bij langzaam rijdend verkeer.

Onze eerste stop is Cali. We verwachte een soort oorlogsstad na een periode van belegering, met lege winkels en lege straten. Op het nieuws werd immers voortdurend gesproken over de tekorten overal, van eten en benzine. We komen echter aan in een levendige stad met propvolle schappen. Kwin en Nadine doen boodschappen terwijl Philip en ik de auto’s bewaken. Wanneer ze naar buiten komen met al het eten en we dat in ons busje wegzetten krijg ik even vochtige oogjes. Wat is het ongelooflijk genieten om dat allemaal te hebben! We kunnen weer koken! Met groenten! Dat zal vast binnen de kortste keren weer als de norm voelen, maar nu ervaren we even groot geluk en dankbaarheid.

We gaan op zoek naar een slaapplaats in Cali. Dat blijkt niet makkelijk. De hotels die we weten bestaan niet meer of zijn onvindbaar. Uiteindelijk komen we bij een school terecht met een sportveld. We vragen het beveiligingspersoneel of we daar mogen slapen en de WC’s mogen gebruiken. Ze zijn erg vriendelijk, en willen dat graag aan de rector vragen zodra die over 2 uur uit zijn besprekingen met ouders is. Hmmm. Tegen die tijd is het wel erg laat om eventueel nog wat anders te moeten zoeken. We bedanken ze en zeggen dat we toch iets anders gaan zoeken. Of zij misschien nog wat weten?

De twee heren proberen het ons een tijdje uit te leggen in het Spaans, maar de route is te ingewikkeld (het kan natuurlijk niet aan ons feilloze Spaans liggen). Hij ziet de vraagtekens op onze gezichten, en biedt spontaan aan om ons dan even te brengen. Sjonge, da’s aardig! Hij springt op zijn brommer en rijdt voor ons uit. Het is nog best een stukje rijden, maar dan komen we ook aan bij een hotel. De auto’s passen precies in de garage, en we bedanken onze gids hartelijk.

Aan de receptie hebben we wat minder succes. We willen graag in onze auto’s slapen, maar dat mag niet. We moeten een kamer nemen. Er is alleen nog een kleine korting te behalen. Nou ja, pech dan. We willen ook niet weer de donkere avond in, en het is al wat later. Tijd voor voedsel. Daar is een kleine snackbar voor beschikbaar, en we bestellen allemaal een burger en een biertje. Excellent. De kamers zijn basic, maar we willen er toch zo vroeg mogelijk weg de volgende ochtend.

We staan klaar voor het ontbijt op de afgesproken tijd dat de bar open zou gaan. Daar is nog niemand. De nodige tijd, ergernis en prima voedsel later zijn we weer op weg. Vandaag naar Medellín. Dat is best een stuk rijden. We genieten weer van de omgeving, en zoeken iets voorbij de stad een hotel. Het motel waar we stoppen heeft geen mogelijkheden voor ons. Hier zijn motels meer van het per uur huren van een kamer, en trekken gemiddeld een ander publiek dan reizende toeristen. Ze wil wel voor ons bellen, en geeft ons aanwijzingen voor een hotel iets verderop.

In dat dorp rijden we er eerst langs, omdat het in een drukke smalle winkelstraat ligt en geen parkeerplaats lijkt te hebben. We vragen het nog een keer, en deze meneer stap voor ons in de auto om ons er persoonlijk heen te brengen. Ongelooflijk vriendelijk weer. Bij het hotel is het weer onderhandelen. Onze auto’s passen niet in de garage. Er is echt geen ruimte meer. Tenzij we een kamer nemen. Hmmm. Fair enough, als wij korting willen om alleen in de garage in de auto te slapen hebben zij minder winst én minder ruimte voor ‘echte’ gasten. De bedden in onze kamers zijn aanzienlijk harder dan in onze auto’s. Maar ons mobiele thuis staat wel netjes achter een hek en zo duur is het nou allemaal ook weer niet. We eten prima Mexicaans in het piepkleine restaurantje met tafeltjes op de stoep naast/in ons hotel.

De volgende ochtend gaan we weer vroeg op pad. In de race om de volgende boot wél te halen proberen we het land zo snel mogelijk te doorkruisen. We hopen dat we vandaag misschien al Cartagena halen.

Dat lukt. Het is een bijzonder lange dag rijden. We komen pas rond tien uur ‘s avonds aan bij het hotel. Met politie-escorte. Voor de derde keer op rij vragen we aan iemand (de politie dit keer) hoe we bij ons hotel moeten komen, waarop die persoon zegt ‘volg mij, ik breng je er persoonlijk heen’. Bijzonder toch?

Voordat we naar het hotel gaan zijn we eerst naar het appartement van Manfred gegaan. Manfred, ons regelmannetje voor de verscheping. Hij heeft ook een appartement dat hij voor een redelijke prijs aan ons wil verhuren. Wanneer Philip en Nadine hem echter bellen voor de sleutel reageert hij boos dat het zondag is en dat we toch morgen zouden komen en dat hij toch ook echt recht heeft op een dagje rust. Okaaaaay. Dan maar het hotel. Dat is prima. We mogen op de parkeerplaats kamperen voor een redelijke prijs, en we koken snel nog een hapje eten.

Na al het gedoe met de cafeteros hebben we toch nog onze tweede boot gehaald! En met de prachtige natuur en onwaarschijnlijk aardige mensen moeten we Colombia haast wel vergeven voor dat kleine ongemak. Al blijft het wel triest dat we tijdens tien dagen vastzitten tussen de koffieboeren niet één kopje koffie hebben genuttigd.

In de volgende editie: ‘Cartagena to Panama city: a wild ride’.

 

Posted in Colombia, Panamericana | 3 Comments

Ecuador: Vier Fantastische Dagen

Na een standaard grensovergang (aantal kantoortjes, aantal stempels) zijn we in Ecuador. Dat bevalt onmiddellijk. Op de een of andere manier lijkt hier een prettige sfeer te heersen die je zelfs rijdend vanuit je auto voelt. Misschien komt het omdat de mensen hier allemaal vrolijk kijken. Of dat het land wat rijker lijkt, met een goede weg en meer baksteen en minder golfplaten in de huizen. Maar zo’n goede sfeer lijkt ons ook onvermijdelijk met dit soort benzineprijzen. Het is echt genieten, dat tanken. Je denkt eerst, ‘o dat valt mee’. Dan realiseer je je dat het om dollars, en niet om euro’s gaat. Wow! En vervolgens dat de prijzen per gallon zijn, en niet per liter. Nou, en dan wordt het echt lachen. Omdat Peruanen dit ook wel grappig vinden, kan je in de buurt van de grens maar 20 liter per keer tanken.

Wat aanzienlijk minder bevalt is het aanhoudende moordlustige verkeer. Iedere paar minuten maken we een bizarre en suïcidale manoeuvre mee van maniakken op de weg. We hebben een bijna-botsing met een busje dat begint in te halen terwijl wij al naast hem zitten. We zijn er helemaal klaar mee.

Dat het hen geen zier kan schelen dat ze hun leven riskeren bij iedere inhaalactie met blinde bocht, dat moeten ze zelf weten. Triest natuurlijk, maar als ze zelf een keer tegen een boom of in het ravijn rijden dan is het met name wonderlijk dat het niet eerder is gebeurd. En na wekenlange stress op de weg kunnen we er nu niet langer omheen: we gunnen hen van harte het spoedig vervullen van die doodswens. Tegen die boom of in dat ravijn wel te verstaan. Want het inzetten van hun eigen leven voor die paar minuten tijdswinst, tja. Maar om andere mensen daarmee direct in levensgevaar te brengen, dat gaat ons te ver. En dan boos toeteren dat je niet uit de weg bent gegaan. Bewust of niet, het gemiddelde rijgedrag is hier niet ‘asociaal’, maar ‘poging tot doodslag’.

Dat gezegd hebbende: alles went. We toeteren vrolijk mee om mensen te alarmeren dat we er zijn, en kijken laconiek toe hoe een volgende gelukszoeker zich vol enthousiasme de bocht in werpt op de verkeerde rijbaan. We blijven maar zeggen ‘sjonge, dat scheelde weinig’. Het is ongelooflijk dat we nog geen dodelijke ongelukken hebben gezien. Dat zal pas in Mexico gebeuren. Gelukkig zonder onze betrokkenheid.

Gelukkig is het rijden naast ‘avontuurlijk’ ook erg mooi. De omgeving is prachtig, en onze eerste bestemming is Cuenca. De coördinaten van eerdere reizigers brengen ons bij een terrein waar niemand lijkt te zijn. Het is ook niet echt een camping. Wanneer we de eigenaar vinden mogen we er echter toch kamperen. Ze verhuren een huis, en we mogen daar binnen douchen en naar de WC. Wat raar omdat zij daar op dit moment zelf ook zitten, maar het zijn erg aardige mensen. Er lopen kippen op het terrein, waarvan er twee een kudde kuikentjes bij zich hebben. De jongste kudde zit allemaal onder mama, waardoor die twintig pootjes lijkt te hebben.

We zijn redelijk vroeg aangekomen, en gaan nog op jacht naar een taxi om de stad in te gaan. Een echte aanrader! Misschien zouden we er niet apart voor naar Zuid-Amerika vliegen, maar toch zeker flink voor omrijden als we toch op het continent waren. Het centrum is mooi met koloniale gebouwen, een grote kerk en een markt met groente en fruit en bloemen. Ook staat hier de originele fabriek van Panamahoeden. Nee, die komen dus niet uit Panama. Ze heten zo omdat ze altijd via het Panamakanaal geïmporteerd werden. De fabriek doet nu ook dienst als winkel, museum en café. We kopen allebei een hoed en drinken een prima kopje koffie. Er is een mooi aangeklede bruid bezig met een fotoshoot in het gebouw. We zien haar later de kerk in gaan, met allemaal feestelijk uitgedoste mensen rond de ingang.

Na het checken van het centrum zoeken we een restaurantje op. Ze hebben er heerlijke soep met kaas en avocado. We hebben een gezellige avond met z’n vieren. Helaas zijn onze magen het er de volgende dag niet mee eens, en is Kwin zelfs ziek.

Dat hopen we op te lossen met een helend bezoekje aan de thermische baden in het plaatsje Baños. Het hostel blijkt prima met goede voorzieningen. De thermische baden zijn kansloos. Gezellig druk, was het er. We maken ons al wat zorgen wanneer we de rij voor de ingang zien. Maar we denken, ze zijn net dicht geweest voor de schoonmaak van de baden, dit zal wel de rij zijn van dat ze net open zijn en iedereen nog buiten staat.

Het blijkt de rij te zijn van ‘wij laten meer mensen toe dan er redelijkerwijs in onze baden passen’. Een van de grootste baden is afgezet omdat die nog gevuld wordt. Het tweede bad is te heet om daadwerkelijk in te gaan. Voor gewone stervelingen dan, Kwin doet na een eerste schok een heldhaftige en geslaagde poging. Het derde bad is te koud om in te willen. Het is namelijk best fris buiten in je badpak, zonder zon en met wind.

Het vierde en laatste bad is op ideale temperatuur. Daar is echter iedereen het over eens. En omdat het te koud is om te wachten tot het andere veel grotere bad is volgelopen, perst iedereen zich het bad in. Je kunt het water niet meer zien. Je moet hier en daar mensen een zetje geven om erin te komen en een plaatsje te bemachtigen, hurkend in het één meter diepe water. Daar zit je dan, schouder aan schouder, te denken over hoeveel van de vele aanwezige kinderen in het bad al zindelijk zijn.

Nadat we dapper zo’n tien minuten zijn blijven zitten besluiten we deze aanfluiting te zien voor wat het is en maken we ons uit de voeten. We waarschuwen andere toeristen die bezig zijn een kaartje te kopen dat ze beter morgenochtend kunnen gaan. Zij zijn ons dankbaar. De verkoper net wat minder.

Om deze matige ervaring te compenseren gaan we op zoek naar het Zwitserse restaurant dat er volgens de reisgids zou moeten zijn. Dat ziet er gepast Zwitsers uit. Kwin bestelt een heerlijk plankje met onder andere kaas en worst, en ik schraap op het eind enthousiast de laatste kaas uit mijn potje kaasfondue. Philip en Nadine zijn voor de vleesfondue gegaan, met hete olie. Hoewel de olie eerst wat te heet is en levensgevaarlijk spettert, is de smaak uitstekend. Een smakelijke afsluiter van onze avonturen in Baños.

De volgende dag rijden we verder naar Quito. We stoppen bij een Ford garage om te vragen of ze de nieuwe koplamp en knipperlicht hebben die we nog moeten vervangen. Die hebben ze, voor het luttele bedrag van omgerekend zo’n 550 euro. We kijken de verkoper verbouwereerd aan. Hij haalt zijn schouders op. Tja, geïmporteerd hè. De zapper voor de auto, die Kwin al tijdenlang hevig begeert, is 75 euro. (E-bay: 8,50 dollar voor 2.) We besluiten dat we uitstekend toe kunnen met onze gelijmde en geplakte lichten.

Dan is het tijd voor de overige, beter betaalbare boodschappen. We vinden een gigantisch winkelcentrum. Dat heet hier ook gewoon ‘Mall’ en is minstens zo Amerikaans als Amerika. Naast eten kopen we ook een lamp voor buiten en een 12 volt laptop-adapter. Gut, we hadden ook wel zonder kunnen leven, maar je moet toch wat in zo’n consumenten walhalla. In lijn van ons materialisme maken we even later ook tijd om de auto te laten wassen. Er is een wachtrij, maar na een rustige lunch en wat blog werkzaamheden in de auto (zie je wel hoe hard we die 12v adapter nodig hadden) is onze bus weer helemaal blinkend schoon. We hopen dat zij zo ook het trauma van de botsing en het garagebezoek van zich af heeft gewassen.

Zo rijden we met een schone lei Quito in. We kunnen ons beoogde hostel eerst niet vinden, tot we erachter komen dat onze GPS in al zijn wijsheid heeft besloten een ander coördinatensysteem te gaan gebruiken. Gelukkig zijn we wel dicht in de buurt. Bij het hostel zien we Philip en Nadine weer, en komen we tot de conclusie dat het centrum van Quito ter ver weg is om met de spits nog heen te gaan. Jammer, want het historische centrum schijnt mooi te zijn. Aan de andere kant schijnt er ook een lange vete te zijn tussen Quito en Cuenca wie het mooist is, dus we hebben in ieder geval iets vergelijkbaars gezien.

En het is eigenlijk wel zo ontspannen om de rest van de middag wat rond te hangen, wat klusjes te doen, wat te internetten. We eten gezellig op de parkeerplaats met een fles wijn. Omdat we niet los kunnen betalen voor het kamperen op de parkeerplaats, hebben we een kamer genomen. Fijn om eigen douche en toilet te hebben, en niet naar buiten te hoeven als je ’s nachts naar de WC moet. Maar er is een dakraam zonder gordijn en het bed is niet comfortabel. Dan slapen we liever thuis. Hoog tijd om net als vele full-time RV bewoners een kitscherige tegel aan te schaffen met de tekst ‘There’s no place like home’.

Hoewel we nog nauwelijks in Ecuador zijn en het ons hier zeer bevalt, vertrekken we de volgende dag richting Colombia. We hebben immers een boot te halen. We maken nog een laatste stop bij een kerkhof die onze Zwitsers aangeraden hebben gekregen. Dat blijkt een geweldig afscheid van Ecuador. Het kerkhof staat vol met struiken in geniale vormen. Papegaaien, boeddha’s, hoofden, alles wordt met grote zorg in vorm gemaakt en gehouden. Met de hand. Dat is pas kunst.

 

Vaarwel Ecuador, en tot ziens!

Op naar Colombia.

 

 

Posted in Ecuador, Panamericana | 2 Comments

Deel 2: Pech in Peru

Het is een lastige keuze: gaan we nog wat oude meuk checken in de vorm van een oude nederzetting van adobe (gebakken modder) huizen en tempels, of gaan we linea recta naar het strandparadijs dat ons is aangeraden door andere reizigers? Hoewel we wat coole plaatjes zien van het oude dorp zijn we allemaal wel toe aan een onvervalste stranddag, dus gaan we als echte cultuurbarbaren op weg naar zee, zon en zand.

Wij rijden rustig achter onze Zwitsers aan. We passeren het zoveelste gehucht van ‘1 dorp, 1 straat’ en halen de zoveelste tuktuk in. De volgende tuktuk gaat alweer netjes naar rechts de vluchtstrook op, wat ze steeds doen om de veel harder rijdende auto’s langs te laten. Deze besluit echter vervolgens blind over te steken over twee banen. Ik kan hem nog een stukje ontwijken, maar rond de middenlijn is de rek eruit en de rem op: onze rechter voorbumper plet zijn linker achterwiel met een onprettig metalig geluid. Hij schiet door richting de berm en huizen, en komt net voor een muur tot stilstand. Op de weg ligt zijn slipper en onze voorlamp.

Holy crap! De bestuurder van de tuktuk blijkt gelukkig verder helemaal in orde. En 17. En zonder rijbewijs. Niet verzekerd dus. Crap.

 

Binnen enkele seconden staat het halve dorp (wat opeens heel groot lijkt) om ons heen. De sfeer lijkt even grimmig te worden, en we zien de koppen al langsflitsen (‘Boze dorpelingen lynchen toeristen’). Gelukkig horen we een getuige zeggen dat het toch echt onze schuld niet was, dat ze had gezien dat de tuktuk opeens overstak. Dat bedaart de boel aardig. We zien tot onze verbazing dat onze rechter voorkant behoorlijk stuk is. Kom op zeg, het was een tuktuk! Zou onze V8 A-team bus daar niet overheen moeten kunnen rijden zonder schade? Niet dus, onze knipperlicht en voorlamp zijn stuk en de zijkant is helemaal gedeukt. De deur aan die kant maakt een knerpend geluid dat recht door de ziel gaat. Ons arme busje.

Jaja, die jongen is natuurlijk ook zielig. Maar zodra we hebben vastgesteld dat hij er met de schrik vanaf is gekomen overheerst de ergernis over zijn kansloze rijgedrag. Ondertussen is zijn moeder (? Tante? Dorpsgenoot?) druk bezig om ons te overtuigen dat die jongen niet alleen zielig, maar ook heel arm is, en dat we vooral de politie niet moeten bellen omdat hij geen geld heeft (lees: de boete niet kan betalen voor onverzekerd rondrijden).

Voordat we hebben kunnen uitvinden wat eigenlijk het alarmnummer is en hoe we dat met onze buitenlandse telefoons kunnen bellen (want natuurlijk bellen we de politie) komt er een politieauto langsrijden. We worden meteen naar de kant gedirigeerd. Wat nou sporenonderzoek. Eerst worden uitgebreid alle dorpsbewoners gehoord. Uiteindelijk komt er ook een politieagent naar ons toe. Ik leg uit in mijn beste Spaans dat het dan wel een aanrijding van achter is, maar dat het gevaarlijk rijgedrag van de tuktuk was. De tuktuk wordt ingeladen op een pickup, en wij moeten naar het politiebureau. De agente rijdt met ons mee.

Op het bureau iets verderop moeten wij even wachten. Dan worden we ontboden in het kantoortje van weer een andere politieman, aan wie we nogmaals ons verhaal moeten vertellen en onze papieren laten zien. Gelukkig zijn die allemaal netjes in orde. Het lijkt erop dat de jongen eerlijk is geweest in zijn relaas tegen de politie (hoewel Nadine hem buiten tegen zijn vrienden een ander, aanzienlijk heldhaftiger verhaal hoort vertellen). De agent legt ons uit dat we twee opties hebben: of een rapport laten opmaken door de politie. Dan verloopt het vergoedingsproces via de verzekering van die jongen (die hij niet heeft) en krijgt die jongen een boete voor rijden zonder rijbewijs en verzekering. Of we proberen wat met de vader van die jongen te regelen. De agent raadt ons van harte aan dat laatste te doen, omdat de kans dat we anders nog wat krijgen uitzonderlijk klein is.

Nadat we over de verbazing heen zijn dat een politieman ons aanraadt géén aangifte te doen, moeten we toegeven dat dit inderdaad het minst onvoordelig lijkt. En hij is wel bereid om het wel te doen, waar we ons eerder wat zorgen over maakten (is de politie onpartijdig in een geval ‘buitenlander vs. dorpsjongen wiens vader ze nog mee in de klas zaten’). We praten met de vader in kwestie. Een klein, dik gedrongen mannetje. Met van die worstvingers. De beste man ziet er niet uit alsof ze te arm zijn om iets te betalen, hoewel hij dat natuurlijk wel voortdurend benadrukt. Uiteindelijk besluiten we dat we met hem naar een garage in de buurt rijden, en dat als we daar niet tot een goede afspraak kunnen komen, we dan terugkomen om alsnog dat rapport te laten typen.

 

De garage, aka zandbak, zegt de gebroken onderdelen morgen in huis te kunnen hebben. Verder kunnen ze het zijpaneel uitdeuken en verven. Het wordt allemaal ‘como nuevo’. We zijn wat sceptisch, maar hij belooft het allemaal morgenmiddag af te hebben. Om twee uur. Weet u dat zeker? Morgen? Alles klaar? Ja, morgenmiddag, twee uur stipt. We besluiten dat een reparatie ‘como nuevo’ beter is dan niets, en gaan akkoord.

We nemen afscheid van onze Zwitsers. Die waren net om de bocht toen het gebeurde, maar zijn terug komen rijden toen ze ons niet meer zagen. We spreken af dat zij vast naar het strand gaan, en dat we elkaar daar de volgende avond zien. En zo niet dan op de afgesproken datum voor de Colombiaanse grens om samen dat land te gaan doorkruisen. Vervolgens blijven we bij de garage om het eerste deel van het proces te bekijken. Ze beginnen met het ontmantelen van de voorkant. Dat lijkt goed te gaan, en we krijgen genoeg vertrouwen om op jacht te gaan naar een slaapplek voor de avond. Het gaat hier wellicht meer om gelatenheid dan echt vertrouwen, want dat laatste is moeilijk in een ommuurde zandbak, met aan een uiteinde een stukje overdekt met golfplaat en een soort Mariatempel met felgekleurde knipperende lichtjes. Niet onze smaak, en ook wat zorgwekkend. Prima dat zij hun vertrouwen in de heilige Maagd Maria leggen, maar of die echt iets weet van autotechniek? Wij hadden liever een monteursdiploma aan de muur zien hangen…

Buiten lopen we langs het hotel dat we al hadden zien liggen. Die heeft wel kamers, maar die ruiken nogal funky en zijn erg duur. We zoeken nog even verder. En dan komen we erachter, dankzij CityMaps2Go, dat we daadwerkelijk in een stranddorpje zijn beland. Misschien toch nog zon, zee en zand vandaag. Het schijnt zelfs de locatie van de Peruaanse kampioenschappen surfen te zijn. Wat wil je nog meer?

Dus gaan we op weg naar de kust. Onderweg vinden we een basic maar schoon en goedkoop hostel, en we boeken de kamer. Daarna wandelen we verder, en vinden een dorpje met winkels en een heuse strandboulevard. We besluiten ondanks alles dan toch maar van de middag te gaan genieten, en nuttigen een lekkere lunch aan het strand. Inclusief een kan ijskoude limonade. Na deze kalmerende elementen weten we hoe het gaat lopen: morgen is de auto daadwerkelijk om twee uur ’s middags klaar, en dan rijden we lekker door naar het strand en gaan daar in het paradijs genieten met onze Zwitserse vriendjes.

Tegen het eind van de middag halen we onze slaapspullen op bij de garage. Het werk lijkt prima gevorderd. Ons zijpaneel is ontdeukt en teruggezet. We gaan met een gerust hart slapen, en de volgende ochtend doen we rustig aan en lopen we weer naar de boulevard voor een mooie brunch. Op de terugweg komen we plotseling langs een uitgebreid waterpark met een indrukwekkend hoog kitsch gehalte. Dolfijnen enzo. Dit zal wel de verkiezingsbelofte van een lokale man zijn. Achter de witte dolfijnen zie je de achterstandsbuurt in al haar glorie staan. Nog net geen sloppenwijk. Uitstekende prioriteitstelling jongens.

En dan lopen we om twee uur stipt de garage weer binnen, om meteen weer weg te rijden in onze ‘como nuevo’ opgeknapte bolide.

Tja. Zou dat niet mooi zijn geweest? We treffen ons busje aan in exact dezelfde staat als de avond ervoor. Behalve dat er nu overal zwarte spetters op de zijkant zitten. Een andere auto die later is binnengekomen is ondertussen wel af, en de eigenaar vertrekt er tevreden mee. We ervaren enige irritatie. We vragen hoe het zit. De ‘monteur’ die aan het werk is is niet de baas, en wil niet met ons praten. Omdat we de nieuwe lampen niet zien liggen die ze vandaag binnen zouden krijgen hebben we wel zo’n vermoeden waarom. We moeten op de baas wachten.

De baas komt terug. En inderdaad, de benodigde nieuwe onderdelen zijn toch niet verkrijgbaar. Tja, dit is Peru hè, en die onderdelen hebben we niet overal. De sfeer wordt met de minuut minder gezellig. Wij willen nu geld in plaats van deze ‘reparatie’, want zonder de nieuwe onderdelen hebben we er niet zo veel aan. In ieder geval niet in termen van kostenvergoeding voor de schade. Dat kan de baas niet doen zegt ie, want de vader van de brokkenrijder heeft de reparatie op afbetaling gedaan. Dus gaat Kwin met de baas in de auto die man zoeken.

Enige tijd later komen ze terug, inclusief de dikke kabouter. Met zijn worstevingertjes. (Er is sprake van enige aversie.) De onderhandeling start weer. We zijn het over weinig eens, behalve dat de huidige staat toch echt niet ‘como nuevo’ is. We krijgen een paar honderd pesos, maar zijn nog niet tevreden. ‘No tengo, no tengo’, zegt de kabouter op onze eis dat de kosten voor ons toch echt hoger zullen zijn om zelf de reparatie elders te regelen. Het gaat een tijd heen en weer van dat we tegen kabouter zeggen dat we meer willen, dat hij zegt dat hij het niet heeft en dat wij zeggen dat hij dat dan maar met de garagebaas moet regelen. Die heeft wel een aanbetaling gekregen, en niet het beloofde werk geleverd. Moet hij maar wat inleveren. Kabouter durft duidelijk niet goed opnieuw die discussie aan te gaan, maar wij blijken te aanhoudend om ons te negeren. Uiteindelijk tovert hij toch nog een honderdje uit zijn borstzakje, en levert de garagebaas ook nog wat in. De kabouter reed overigens alweer rond in een gloednieuwe tuktuk. Straatarm ja, die man.

Tijdens onze onderhandelingen is het werk aan de auto wel doorgegaan. De pogingen om het frame helemaal netjes uit te deuken (waar we eerst zelf om moesten vragen) hebben we moeten stopzetten, het werd alleen maar erger. Het zijpaneel is wel gespoten, zij het in een nét andere kleur wit en veel doffer dan de rest (‘dat heeft nog wat tijd nodig om in te trekken, dan is het net als de rest van de auto’). Ook heeft de baas na veel tegenstribbelen de zwarte stippen van onze zijkant gepoetst. Zijn eerdere ‘o dat gaat er zo af’ blijkt optimistisch, hij moet er aardig agressief spul bij pakken om het dikke olie/verf mengsel eraf te krijgen. Steeds als hij ‘klaar’ is wijzen we nog een paar spetters aan. Noodzakelijk micromanagement waar niemand vrolijk van wordt.

De bumper wordt er weer onder gehangen. Scheef. O echt? O ja, ik zie het *zucht*. Nou vooruit zeg maar wanneer hij recht hangt dan. Bij het voorbereiden van de bumper heeft Kwin daarvoor al moeten ingrijpen. Bij het vastmaken van het ijzeren en plastic gedeelte worden schroeven en klemmetjes lukraak erin gezet. En aanzienlijk minder dan er eerst in zaten. We beginnen spijt te krijgen van dat we er niet de hele tijd naast hebben gezeten. Wat is er nog meer niet netjes gedaan?

Dan zeggen ze ‘klaar’. We begrijpen het niet. Hoezo klaar? Onze lampen liggen er nog stuk naast. ‘Ja die zijn stuk, die kan ik er zo niet inzetten.’ NO SHIT!!! En wat doen we dan jongen, als iets stuk is en jij bent de monteur? Re-pa-re-ren. We pakken onze eigen secondelijm erbij en zetten de koplamp en knipperlicht voor zover mogelijk weer terug in elkaar. Kwin is eerder al op pad geweest met de Baas om nieuwe lampjes te halen. Dan probeert de monteur de lamp er weer in te zetten (op ons aandringen). Hoewel hij niet zo spraakzaam is, spreekt zijn houding boekdelen: ‘huh? Maar er mist een stukje, zo kan ik het toch niet vastmaken?’

Het is zo’n moment waarop wij ten diepste betreuren dat grof geweld het proces niet zal bespoedigen.

We bedenken een manier om de lampen toch nog wat vast te zetten. Uiteindelijk zitten ze min of meer vast. En wij zijn er meer dan klaar mee. We moeten hier weg. We rijden de zandbak uit en voelen een intense vreugde. We zijn vrij! We zijn weer onderweg!

En dan volgt tot onze geringe verbazing en diepe, diepe teleurstelling het klassieke moment. Donald Duck rijdt net weg bij de glibberige verkoper, en zodra hij de openbare weg op draait verliest hij zijn uitlaat en trilt de verf eraf. Kortom: een kleine kilometer na ons vertrek bij onze supergarage zijn we nog druk bezig elkaar te feliciteren dat we daar weg zijn. Dan horen we een onmiskenbaar ‘er zit iets los en sleept over de weg’ geluid. Onze vreugde komt abrupt ten einde.

Jawel. Het blijkt dat ze een onderdeel van de bumper, dat ze losgeschroefd hadden om de boel te repareren, niet opnieuw hebben vastgezet. Tja, waarom zou je ook als je het ook gewoon een beetje terug kunt duwen. We zijn tegen beter weten in opnieuw helemaal verbijsterd over de diepte van de kansloosheid van de monteurs. We kunnen niet beslissen of we het triester zouden vinden dat het komt door incompetentie of een compleet gebrek aan werkethiek. Waar het ook door komt, een ding is duidelijk: they just don’t care. Zo volkomen troosteloos, wanneer mensen met zo weinig trots hun werk uitvoeren.

We vloeken nog wat. We denken koortsachtig na over alternatieven. Maar we kunnen er niet omheen: het lijkt toch beter om terug te gaan en hen het te laten repareren dan om het zelf te doen zonder enige middelen. Strak van de negatieve energie rijden we terug. Ze zijn niet blij (maar ook niet heel verbaasd) om ons weer te zien. O ja, dat zit los ja. Gut, daar had inderdaad een schroef in gemoeten. De baas gaat weer onder de auto liggen. Om er een tie-wrap omheen te doen, zo leren we later wanneer het ding weer losschiet in Amerika.

We rijden weer weg. Dit keer zullen we niet wederkeren.

  • Opbrengst: ontdeukt zijpaneel.
  • Verlies (direct): goede humeur, een dag van ons leven.
  • Verlies (bij latere inspectie): V8 logo, verschillende schroeven, tijd voor herstellen verkeerd geplaatste schroeven, klemmetje voor bevestigen lampen.

Het is al 5 uur. We vinden dat de Kabouter en consorten ons nu wel genoeg hebben opgehouden. Het is nog een eind rijden naar het strand waar Philip en Nadine zijn, maar we moeten en zullen daar vandaag nog aankomen.

Het wordt 1 uur ’s nachts. De coördinaten van de camping leiden ongeveer tot een dichte deur van een camping. We staan daar even te kijken, maar er is geen teken van leven. We rijden ietsje verder om te kijken of er 200 meter verderop nog iets is. Er lijken wel wat campers te staan op de plek van de coördinaten, maar vanaf de weg kunnen we het niet goed zien in het donker, en het hek dat direct naar die plek leidt lijkt niet bij een officiële camping te horen.

Dan toch maar terug naar die dichte poort van de camping iets daarvoor. Desnoods kamperen we voor de dichte deur. Nadat we gedraaid zijn zien we iemand langs de weg lopen in onze richting. Mooi, dan kunnen we het vragen of hier nog een andere camping in de buurt is. Het blijkt nog veel mooier: het is Philip.

Hoewel ze allang sliepen, ging Nadine even naar de WC. Daarvoor moet je langs het hek bij de ingang lopen. Daar zag ze ons staan, en wegrijden. Waarop zij terug is gerend naar Philip om hem te waarschuwen, en vervolgens de manager van de camping wakker heeft gemaakt om de poort open te maken.

Een indrukwekkend staaltje geluk! Of misschien karma, na ons Grote Lijden bij de garage Beunhaas & co. Hoe dan ook parkeren we naast onze Zwitserse vrienden en genieten van een goddelijk douche en welverdiende nachtrust.

Philip en Nadine hadden eigenlijk al besloten om de volgende ochtend verder te rijden, maar nu wij aan zijn gekomen doen ze nog een dagje strand met ons mee. Het is een prachtige plek. Wit zand, palmbomen, hangmatten. Philip helpt ons nog met wat tape om de koplampen extra vast te zetten. (Jammer dat hij geen spullen bij zich had, hij werkt bij een Ford garage in Zwitserland. Had het ongetwijfeld professioneler opgelost.) We zijn het er allemaal over eens dat ons busje er niet mooier op is geworden, maar dat het veel erger had kunnen zijn. Die jongen had dood kunnen zijn, om maar iets te noemen. En van een afstandje valt de autoschade ook nauwelijks op.

We genieten erg van een dagje rust en strand. De zonsondergang is ook prachtig. De volgende dag gaan we wel weer verder. Het is mooi geweest met Peru. Tijd om naar Ecuador te gaan!

 

Posted in Panamericana, Peru | 2 Comments

Deel 1: Prachtig Peru

De grensovergang om Peru in te komen verloopt iets minder soepel dan de vorige, al is het alsnog binnen twee uurtjes gedaan. Nadat we alle benodigde stempels hebben van Bolivia vragen we aan een agent waar we moeten zijn voor de Peruaanse administratie. Hij wijst drie kantoortjes aan waar we langs moeten. In het eerste kantoor wil de man ons (officiële) duplicaat van ons eigendomsbewijs (padrón) niet accepteren. We houden vol dat dit het officiële document van Chile is. Hij laat een printje zien met de regels waarop staat dat kopieën niet geldig zijn. Op zoiets hadden we niet meer gerekend nadat we succesvol Chili uit en Bolivia in waren gekomen.

Uiteindelijk zegt hij dat we dan eerst maar naar kantoor nummer twee moeten gaan. Dat blijkt de douane voor personen. We vullen een entree-strookje in en zijn weer wat stempels rijker. Terug naar het eerste kantoor. De man heeft inmiddels besloten dat hij uit de goedheid van zijn hart een uitzondering zal maken. Hij voert onze gegevens in. Het duurt even. Hij heeft die blik van geconcentreerde verwarring met geknepen ogen van een digibeet waarmee hij steeds van het scherm naar het toetsenbord en weer terug kijkt. Uiteindelijk volgen een printje en een paar stempels, en ons autopaspoort voor Peru is compleet. Hoewel we dachten dat zijn eerdere houding over ons eigendomsbewijs een aanloop naar steekpenningen was wenst hij ons alleen nog een prettige reis.

We gaan naar kantoor nummer 3. Daar vult een agent onze gegevens (nogmaals) in. In een groot boek, met de hand. Hij bestudeert onze papieren, en komt tot de juiste conclusie dat we geen internationale verzekering hebben. Die blijkt wel verplicht in Peru. Helaas is het zondag, en kunnen we die niet daar aan de grens kopen. Wat we wel kunnen doen is die verzekering zo snel mogelijk in Puno aanschaffen, wat niet veel verder is. Dat is natuurlijk wel een overtreding. En het is voor ons eigen risico. Er volgt een verwarrend gesprek van bijna 10 minuten waarin de bovenstaande dingen een aantal keer herhaald worden en beide partijen hun best doen om elkaar niet te begrijpen terwijl ze wel weten waar het heen gaat. We doen een onschuldige poging tot vertrek met ‘si, nuestra responsibilidad, muchas gracias’. Waarop hij iets zegt in de trant van ‘maar wacht eens even, het is wel een overtreding’. Het is net als die spelshows waar je geen ‘ehh’ of ‘ja’ of ‘nee’ mag zeggen, alleen is hij de kandidaat die geen ‘steekpenningen’ mag noemen. Kwin geeft hem 5 euro. Hij slaat snel zijn boek dicht over deze ‘boete’ en wenst ons een goede reis.

We maken wat kopietjes van onze nieuwe documenten, en komen in dat winkeltje twee Zwitsers tegen. Philip en Nadine zijn op huwelijksreis met hun Landcruiser plus daktent, die ze vanuit thuis hebben laten verschepen (zie www.south-to-north.com). We wisselen wat informatie uit, onder andere dat zij helemaal niet naar kantoor nummer drie zijn geweest (er ook niet naar zijn verwezen). Dat bevestigd ons vermoeden van de functieloosheid van het handgeschreven boek van onze corrupte vriend. Onze Zwitserse vrienden hebben coördinaten van een hotel in Puno waar je kunt staan. We zullen ze die avond dus weer tegenkomen.

In Puno is het carnaval. Dat gaat hier meer om de goede intentie dan de goede muziek en geniale choreografieën. Uitgebreid uitgedoste mensen hossen dapper doch duidelijk vermoeid de laatste meters van hun tocht. In het centrum vinden we naast het carnaval ook een grote supermarkt! Wat een luxe na Bolivia, waar de enige plek waar je fatsoenlijk pindakaas kon kopen La Paz was. We slaan grondig in, en gaan daarna op zoek naar het hotel. We rijden eerst nog wat verkeerd, maar dan staan we ook bij een 4-sterren hotel op het grasveld. Samen met onze Zwitsers en wat lama’s. We klappen onze tuinfauteuils uit, pakken een koud biertje uit de koelkast en genieten van het uitzicht over Puno in baai rechts en het Titikaka meer links. Lang niet slecht. Er is nog een ander minder hoogdravend schouwspel, dat Kwin eloquent van ondertiteling voorziet: ‘Hee, die ene lama neukt die andere lama.’

Hoewel we net boodschappen hebben ingeslagen besluiten we dat we ons te lui voelen om te koken. Het hotel heeft een restaurant met een mooi uitzicht en een leuk menu. We eten samen met Philip en Nadine, en bespreken de shipping van Zuid-Amerika naar Centraal Amerika. Zij hebben zich ook al een breuk gezocht naar een mogelijkheid vanuit Ecuador, en nog niet gevonden. Nu kijken ze serieus naar opties vanuit Colombia. Klinkt ons bekend in de oren. Zij hebben met hun daktent een ‘high cube’ container nodig, maar we spreken af dat we bij onze leads gaan informeren wat de kosten zijn om te kijken of we toch samen een container kunnen regelen.

De volgende dag rijden we naar Cusco. Het aantal kilometers valt mee, maar er zijn Heel Veel Bochten. De omgeving is heel groen, wat duidelijk een gevolg is van veel regen. We stoppen nog bij een gasfabriek om te kijken of we onze gastanks kunnen bijvullen. Philip en Nadine krijgen hun losse 1,5 liter tankje vol, maar voor onze megatank onder de auto blijken ze ook bij het LPG station verderop niet de juiste connector te hebben. (Bijna twee maanden verder is het ons nog steeds niet gelukt om bij te tanken, en is de tank ook nog steeds niet leeg. Wie had dat ooit gedacht.)

De buitenwijken van Cusco stellen niet veel voor, maar het oude centrum is prachtig. We doen een vrij uitgebreide en niet vrijwillige tour door de koloniale straten, op zoek naar de camping. Die straten zijn overigens beter geschikt voor paard en wagen dan dikke American Style Ford busjes. We passen hier en daar maar nauwelijks tussen de twee stoepen. Na het combineren van verschillende bronnen (GPS met juiste coördinaten maar geen kaart, Citymaps2go app zonder campinglocatie maar met straten en onze locatie, en GPS op laptop met kaart en juiste coördinaten maar niet de huidige locatie) vinden we na ruim een uur toch de camping.

Dat blijkt een zompig modderveld. Omdat onze Zwitserse vrienden goed zijn uitgerust met o.a. een winch voorop de auto doen we toch een poging om binnen de hekken op het ‘gras’ te parkeren. Geheel toevallig verklaren wij ons perfect tevreden met onze parkeerlocatie op hetzelfde moment dat de achterwielen beginnen te slippen. We leggen wat planken uit om van onze deur naar de badkamer te kunnen met minimale modder. Dat zou aanzienlijk makkelijker geweest zijn met de deur aan de andere kant, maar ja, we stonden nou eenmaal al perfect geparkeerd hè. We sluiten de dag in stijl af met een biertje en een uitstekende Hollandse maaltijd van kipfilet, broccoli en aardappelpuree.

Voor de volgende dag hebben we een efficiënt plan. ’s Ochtends gaan we eerst met z’n vieren langs het reisbureau. Daar boeken we een pakket met een trein voor diezelfde middag naar Aguas Calientes, een overnachting aldaar, toegang tot Machu Picchu voor de dag erna en een trein terug die middag. Daarna drinken we een kopje koffie in Cusco, gaan terug naar de camping om wat spulletjes te pakken voor onze trip en dan gaan we op weg naar dat mysterieuze Machu Picchu!

De mensen van het reisbureau blijken daar anders over te denken. Ze zijn zo lang bezig zijn met het voor hen zo goedkoop mogelijk regelen van de treintickets dat we de trein uiteindelijk niet meer zullen halen. Ze beweren dat het aan de website ligt. Die is inderdaad regelmatig offline. Ze beweren ook dat er geen andere manier is om treintickets te kopen dan via die website. Daar geloven we bijzonder weinig van. Zeker gezien ze al verschillende malen hebben gezegd dat ze de treintickets hebben, en er ook al meerdere keren iemand weg is gelopen met contant geld (om de website contant te betalen zeker?). Uiteindelijk houden ze ons twee uur aan het lijntje in hun koude hol, met af en toe een vraag als ‘het was voor morgen he?’. Dan concluderen ze dat het niet mogelijk is om dit te regelen, en verlaten wij geërgerd hun winkel met alleen wat koude tenen rijker. Om die mensen te klieren stappen we demonstratief het reisbureau naast hen binnen.

Dat is een verademing. De mevrouw luistert naar onze wensen, en zegt vervolgens dat we eerst samen naar het station zullen gaan om zeker te weten dat we de treintickets hebben (juist ja, zonder die website dus). Helaas staat er bij het station een te grote rij, en we besluiten toch om pas de volgende dag te gaan. Dan nemen we een vroege trein, hebben nog wat tijd voor de thermische baden in Aguas Calientes, slapen daar, en gaan dan in alle vroegte naar Machu Picchu. Ten slotte gaan we dan met de middagtrein terug, zodat we die rit ook bij daglicht hebben.

Met dat geregeld gaan we de rest van de dag van het oude centrum van Cusco onveilig maken. De eerste stap is uiteraard het opspeuren van het café dat volgens onze moddercamping de beste koffie heeft. We vinden het, en ze serveren niet alleen uitstekende koffie, maar ook prima lunchhapjes en worteltaart. Verder wandelen we door de straten, kopen wat souvenirs in en genieten van de oude gebouwen met mooie details. We sluiten ons stadsbezoek af met een drankje op een balkon met uitzicht over het Plaza des Armes (yum, frozen limonada), en lopen dan rustig terug naar onze camping op de heuvel.

Het is vroeg dag, de volgende ochtend. We worden van de camping opgehaald en naar het treinstation gebracht. Daar krijgen we een drankje om ons te compenseren voor het feit dat de trein ‘vandaag niet’ vertrekt van dit station, maar vanaf een station bijna de helft van het traject verderop. In plaats van luxe treinstoelen worden we in kleine bussen met weinig beenruimte gepropt. Niet zo netjes, er zijn ook bussen te regelen die het comfort van de trein beter benaderen. Zeker gezien het volledig duidelijk is dat dit een ritueel is. Dit zijn geen ad hoc regelingen voor het plotseling buiten dienst zijn van het spoor. Dat spoor is al weken of maanden niet meer in gebruik.

Wanneer we eindelijk in de trein zitten is het echter puur genieten. De stoelen zitten goed, de ramen zijn groot en schoon en het uitzicht uit die ramen is nog veel schoner. Wat een prachtige treinrit! Door een groen dal naast een kolkende rivier. Het geluk is compleet wanneer we een tijdje moeten wachten op een station op een tegemoetkomende trein, en er tijd is om een kopje koffie te halen op het perron. En dat koffietentje op het perron in het midden van het niets blijkt een van de beste koffies van de afgelopen tijd te schenken. Sjongejonge wat een rijkdom.

We dansen de trein uit in Aguas Calientes, en hebben ondertussen al veel mooi regenwoud-achtig bos gezien en terrasvorming met muurtjes die best eens heel oud zouden kunnen zijn. We worden netjes opgewacht door een mevrouw van ons hotel. Het hotel zelf valt minder in de smaak, je voelt en ruikt dat het gebouw nooit helemaal droog is. Maar we hebben een eigen badkamer, bed en antieke tv, dus het gaat wel goedkomen die ene nacht. We gaan eerst maar eens lunchen. We hebben twee gratis maaltijd-bonnen gekregen van het reisbureau, en vinden ons restaurant aan de schuimende rivier. Het is echt onvoorstelbaar hoeveel water daar verplaatst wordt. Het uitzicht blijkt wat indrukwekkender dan het eten.

Daarna halen we onze zwembroeken op en lopen in de regen naar de warme bronnen. Daar huren we nog een paar handdoeken. Die hebben we niet in onze dagrugzakjes gepropt en de mevrouw van het hotel zegt met onklantvriendelijke stelligheid ‘una toalla por persona’ op ons bizarre verzoek voor eentje extra. Bij de baden betreuren we het dat we onze slippers niet bij ons hebben (viezige kleedhokjes). De verschillende baden zijn wel bijzonder ontspannen. Naast een rivier hebben ze een paar zwembaden gemaakt met verschillende temperaturen, en als je naar de bar zwaait komt er iemand je bestelling opnemen. Kwin probeert ook de douches die rechtstreeks uit de rivier komen (ijskoud). Dat wordt een korte ervaring, gevolgd door een snelle sprint en een lange periode in een warm bad.

’s Avonds wachten we eerst op onze gids. Het reisbureau heeft gezegd dat die langs zal komen om met ons af te spreken hoe laat we de tour doen. Dat blijkt wat optimistisch, de gids komt ons vertellen hoe laat zijn tour, met nog zo’n 15 andere mensen, vertrekt (zoals alle tours voeg, 6:30). Oh well, de tijd komt ons prima uit. We houden ondertussen een schuin oog op een andere gids die hetzelfde aan het doen is. Dat is namelijk een van de mannetjes van het kwaadaardige reisbureau. Spijtig dat we in hetzelfde hotel zijn geëindigd als dat zij aanbieden, maar fijn dat zij er in ieder geval niets aan verdienen.

Na deze afspraak eten we bij een gigantisch en vrijwel leeg restaurant. We denken eerst dat we net wat te vroeg zijn voordat de grote tourgroepen aanschuiven aan de lange gedekte tafels, maar die laten zich de hele avond niet zien. We zitten weer mooi aan de rivier en naast onze tafel staat een soort grote ronde open haard aka barbecue. Lekker warm. Buiten is het namelijk best wel fris en nat. Met de grote hoogtes van Bolivia en Peru beginnen we uit te zien naar een warm strand waar we niet buiten adem raken van het oprapen van onze slippers. De familiepizza die we bestellen is lekker, maar hopeloos inadequaat voor een ‘familie’ van vier. Dus werken we tot enige verbazing van de staf nog een familiepizza weg. Een prima avond.

We staan weer uitzonderlijk vroeg op. Dan schijn je nog wat aan je dag te hebben. En je kunt een van de eerste bussen naar Machu Picchu halen. Wisten jullie trouwens dat dat lager ligt dan Cusco? Wij hadden er een beeld bij van dat die mysterieuze stad op het topje van de wereld ligt, maar met Cusco ergens rond de 2000 meter hoogte zijn we al stukken hoger geweest. Vanaf Aguas Calientes is het echter nog wel twintig (voor mensen met hoogtevrees stressvolle) minuten omhoog met de bus. Haarspeldbochten in smalle zandwegen, steile afgronden en veel tegemoetkomend verkeer. Een goed begin van de dag.

We zijn wat vroeg en wachten vol ongeduld op onze gids. We staan te trappelen eindelijk zelf dat mysterieuze Machu Picchu te aanschouwen. Hoewel de gids ons gisteravond op het hart heeft gedrukt dat we om half 8 vertrekken en dat je anders pech hebt, probeert hij toch tijd te rekken om nog wat asociale uitslapers mee te kunnen nemen. ‘In a group you have to wait.’ Wel als jij je niet aan je afspraken houdt ja, eikel (het was nog vroeg). Dan gaan we eindelijk de oude verlaten stad in. Het is nog erg mistig, maar bij vlagen zien we al het bekende prachtige uitzicht van de posters.

De gids vertelt onder andere dat Machu Picchu maar heel kort bewoond is geweest en hoogstwaarschijnlijk nog niet af was. De Inca’s zijn ergens in de vijftiende eeuw als een gek gaan veroveren en bouwen, en hebben vervolgens het meeste nog geen eeuw later weer opgeblazen om te voorkomen dat hun gebouwen in handen van de Spanjaarden zouden komen. Gelukkig hebben ze Machu Picchu heel gelaten, en hebben de Spanjaarden het nooit gevonden.

Het was waarschijnlijk een post om de Amazone verder te gaan veroveren, gezien de ideale locatie daarvoor. Het ligt op een zeldzaam stukje bergkam dat niet helemaal verticaal loopt, een beschutte plek aan het begin van de Amazone. Daar hebben ze midden in de woeste jungle keurig rechte straten en huizen aangelegd. Je ziet nog de stenen in de randen van de muren om de rieten daken aan te bevestigen. De stenen zijn zonder cement op elkaar gestapeld, door ze perfect te slijpen en op elkaar af te stemmen.

Bij de tempels zijn grotere stenen gebruikt en is de muur gladder en mooier dan bij de gewone huizen. En er is nog een sectie met allemaal gewone stenen en rotsen, waarvan de archeologen vermoeden dat het de steengroeve is geweest. Er zijn ook stenen die 1 keer per jaar met hun schaduw van een speciale zon-stand een compleet figuur maken. En gezien de verschillende gebouwen waar de zonsopgang boven te zien is in de verschillende jaargetijden is het duidelijk dat ze veel wisten over de stand van de zon en de sterren. Gaaf hoor. Deden ze allemaal zonder rekenmachines en super-telescopen. Go Inca’s!

We hadden er geen idee van dat het zo relatief kort geleden en ook zo kort was dat de Inca’s hier waren. We wisten ook niet dat het voor gidsen nodig was om achter iedere zin ‘guys’ te plakken (‘so the Inca’s were building this city in thirty years guys, and it was one of the last posts they abandoned when fleeing for the Spaniards guys’). Onze gids vertelt ook dat een archeoloog enige tijd terug met een metaaldetector of scan of iets dergelijks heeft ontdekt dat er waarschijnlijk nog goud verborgen is in een grot in Machu Picchu. De regering heeft nog geen toestemming gegeven op de boel uit te graven, maar misschien horen we daar binnenkort nog iets over. Dat zou heel cool zijn, omdat het meeste bewerkte goud van de Inca’s is omgesmolten door dat stelletje Europese cultuurbarbaren die de boel zo nodig moesten veroveren.

Na de citytour van onze Guy is het tijd om een berg te beklimmen. Er is naast Machu Picchu een berg die Wayna Picchu heet. Die kan je beklimmen als je een van de 400 gelukkigen bent die per dag een extra kaartje mogen kopen om in twee etappes (7 en 10 uur) omhoog te gaan. Het is een bijzonder mooie en nog veel steilere klim. Het pad is bijna alleen maar trap en hier en daar moet je je handen gebruiken. Het wordt ook duidelijk waarom het aantal bezoekkers gelimiteerd is: het is hier niet erg breed en nu is het soms al lastig met mensen die willen passeren.

Bovenop blijkt er nog een serie huizen van de Inca’s te zijn. En dan vraag je je toch af hoe dat beslisproces verlopen is. Eerst moet er een Inca besloten hebben om die vrijwel verticale rots op te klimmen. Nou vooruit, dat soort types heb je in alle tijden en streken. Maar vervolgens moet die Inca gedacht hebben: ja, dit is de ideale plek om eens een paar huizen neer te zetten. Een beetje stevige huizen wel hè, met goede zware stenen. Toegegeven, het uitzicht over Machu Picchu is prachtig, ook met regen en mist. Maar een heel praktische bouwlocatie is het niet. Een ding is zeker: de Inca’s leden niet aan hoogtevrees en waren niet werkschuw. Ze moeten zich hebben helemaal het leplazarus gewerkt hebben om deze bijzondere stad in dertig jaar uit de grond te stampen.

Na onze stadswandeling en bergwandeling zijn we nat en koud, en stappen we weer in de enge bus terug. We drinken en eten nog wat in Aguas Calientes. Geen topkwaliteit daar, ook niet op de grote overdekte touristenmarkt. Tassen zijn al vies en verkleurd voordat ze verkocht zijn.

Dan stappen we weer in de trein, en genieten nogmaals van de prachtige rit. Er is dit keer ook entertainment in de trein, met een modeshow van de spullen die je heel toevallig ook in de trein kunt kopen. Een trui voor $160 bijvoorbeeld. Mooie spullen, maar ietwat aan de prijs. Dan stappen we weer op de bus voor het afgesloten deel van het treintraject (dit wordt niet eens omgeroepen als iets speciaals, en ons vermoeden is dat ze al enige tijd duurdere treintickets verkopen voor dit deel terwijl ze allang weten dat ze goedkope bussen in gaan zetten). Op het treinstation worden we opgehaald door dezelfde taxi van de heenweg, en we laten ons in het centrum afzetten om nog wat te gaan eten. Weer prima maaltijd.

Tijd om weer verder te gaan. We rijden vandaag niet samen (met onze Zwitserse vrienden), omdat wij ’s ochtends eerst nog een verzekering moeten kopen. Na wat ingewikkeld navigeren door eenrichting-straten vinden we het kantoor van verzekeraar MAPFRE. We gaan naar binnen en moeten even wachten. Dan komt er iemand vragen wat we nodig hebben. Dat is de verplichte verzekering voor alle voertuigen. Dat is ingewikkeld met een buitenlandse auto. Ze overleggen met het hoofdkantoor. We wachten. Na een half uur mogen we achter de balie gaan zitten en gaat de mevrouw daar heel erg geconcentreerd naar het computerscherm kijken en af en toe wat invullen. We hebben al verschillende keren gevraagd hoeveel het kost. Dat kunnen ze ons niet vertellen, daar moeten ze eerst ALLE gegevens voor in het systeem zetten en dan spuugt die een getal uit. Na 1,5 uur in dat kantoor komen ze tot de hemeltergende conclusie dat ze ons deze standaard verplichte verzekering niet kunnen verkopen omdat het typenummer van onze auto (E350) niet in de juiste dropdownbox te vinden is. Er is sprake van enige emoties.

We besluiten dan eerst maar naar de supermarkt te gaan, en terwijl ik daar wat boodschappen doe gaat Kwin nog even langs het bankkantoor om te kijken of ze daar toevallig die verzekering verkopen. Nog voordat ik heb afgerekend komt hij met de verzekeringspapieren terug. De bank had het niet, maar verwees hem naar een ander verzekeringskantoor om de hoek. Daar hadden ze een prijslijst staan van de SOAT, zomaar helemaal zonder alle gegevens in te voeren. Deze verzekering blijkt overigens ook niet af te hangen van het merk of type auto, maar voor iedereen gelijk te zijn. En bedankt MAPFRE, stelletje prutsers.

Na onze avonturen in de supermarkt en verzekeringsbranche vinden we het hoog tijd voor een lunch bij een bakker/café. Daar hadden we bij binnenkomst in Cusco al wat lekkere broodjes gekocht. Kwin bestelt voor het eerst sinds zijn spectaculaire kotsregen in Marokko een Club Sandwich. Dat blijkt een uitermate goede beslissing, het is een absoluut geniaal broodje. Het bovenste broodje is van binnen weggesneden en er is daarbinnen een ei gebakken. Yum. Ook de koffie is prima te pruimen, en zo gaan we goed gevoederd en met verzekering op weg naar Nasca. De bestemming is een hotel waar we de coördinaten van hebben van andere reizigers. Het is een van de meest bochtige parcours die we ooit hebben gereden. De weg slingert genadeloos omhoog en omlaag tussen de 4000 en 2000 meter, en wij volgen hem met veel v8 geweld en remvermogen. We zijn wederom erg blij met ons trouwe busje. Met een minder vermogend exemplaar zouden we nooit die vrachtwagen snel kunnen inhalen op dat kleine stukje rechte weg. De lokale bevolking stoort zich overigens niet aan die bochten, zolang je haast hebt haal je in.

We rijden ook stukken door mist, en zien in een van de dalen een indrukwekkend heldere regenboog met daarnaast een iets minder helder zusje. Mooi hoor. Gelukkig is het laatste stuk niet meer zo bochtig, in een dal naast een rivier. Het is ondertussen al wat later en donker, en we zijn blij om het hotel te zien, inclusief de landcruiser van onze vrienden. Die hebben op ons gewacht met eten (overnachten is gratis bij gebruik van de maaltijd), en we drinken een heerlijk koud biertje. Het hotel blijkt een vaste stop voor veel overlanders. Dat is ook wel logisch, gezien het de eerste plek is sinds Cusco die er goed uitziet voor een overnachting, en het is ongeveer halverwege Nasca en Cusco. Er is die avond ook een groep motorrijders die in 3 maanden van L.A. naar Ushuaia rijdt. Dan moet je aardig doorkarren, wij hebben al haast met onze 6 maanden. Maar ze lijken er niet onder te lijden. Ze zullen het wel leuk vinden, dat motorrijden.

De volgende dag rijden we naar Nasca. We hebben nog een stuk haarspeldbochten voor gevorderden, een gigantische afdaling van 4000 naar 600 meter en dan zijn we opeens van de groene heuvels in de woestijn. We rijden achter Philip, Nadine en hun GPS aan en komen via wat kleine straatjes en bochten aan bij een camping met gras en zwembad. Heerlijk! Al lang geen gewoon droog gras meer onder onze voeten gehad. Het is ook een stuk warmer, en daar waren we ook wel aan toe. Waar Kwin niet aan toe is, is een gigantische kakkerlak die zijn arm op loopt op weg naar de afwas. In een zeer mannelijke poging dit ongedierte te verwijderen kletteren alle borden op de grond. Allemaal plastic campingmeuk, dus alleen enige ego-schade bij Kwin.

Vandaag zijn de Nasca lijnen aan de beurt, met daarna nog een lange rit naar Lima. De Nasca lijnen liggen in een grote zandvlakte. Daar hebben ze eerst een snelweg doorheen gebouwd voordat ze er achter kwamen dat er allerlei figuren in het zand zijn getrokken. Die lijnen hadden ze wel gezien, maar zonder het bovenaanzicht van de totale figuren leek dat niet iets om een snelweg voor om te leiden. Je kunt met een vliegtuigje over het veld vliegen om alles goed te zien, maar die worden afgeraden door de Nederlandse regering (iets met een zekere dood door slecht onderhouden materiaal) en is bovendien erg duur. We doen het met een toren van zo’n 10 meter waar je voor een paar pesos een paar van die figuren kunt zien.

Vanuit dit goed betaalbare uitkijkpunt is ook de ervaring wat goedkoop. Van te voren hadden we al zitten fantaseren over gigantische figuren waarvan het een geheimzinnig raadsel is hoe ze die hebben kunnen maken zonder overzicht van boven, met lijnen zo dik als boomstammen diep in de aarde gegroefd. De realiteit is echter wel heel bescheiden, met lijnen van nog geen vijf centimeter die door iemand met zijn hak in de grond lijken gesleept. Langs een liniaal, dat wel. En de figuren die we van hier kunnen zien zijn in totaal ook niet heel erg groot. Het concept van deze grote vlakte met al haar figuren waar we de betekenis niet meer van weten is indrukwekkender dan het ding zelf.

Blijft natuurlijk wel een mysterie waarom ze dit hebben gedaan, en hoe ze het voor elkaar hebben gekregen dat de lijnen zichzelf onderhouden en zichtbaar blijven. Dat schijnt iets met de wind te maken te hebben. Grappig dat we bij zoiets van vroeger meteen denken dat het een diepzinnige betekenis moet hebben gehad, terwijl het ook een uit de hand gelopen kunstproject of reclame-uiting geweest kan zijn. Van beide zien we er nog veel in vergelijkbare stijl op weg naar Lima, die wel iets recenter lijken (‘Restaurante El Sol a 50m’ in Nasca stijl etc).

Wanneer we in de buurt van Lima komen groeten we een oude vriend: de zee! Waar het hem precies in zit weten we niet, maar we zijn altijd blij hem te zien. We gaan van de weg af om aan het strand te lunchen. We moeten betalen om het dorp binnen te rijden, en het is er onwaarschijnlijk druk. Iets verderop ziet de zee helemaal felgekleurd van alle zwemkleding. We hebben nog genoeg lunch, maar onze voorraad pesos is sterk aan het slinken. Met onze budgettering is alles in orde. Met onze mogelijkheid om te pinnen in Peru niet. Onze ING passen geven bij alle banken van de afgelopen dagen de melding ‘Host is down’. We hebben toch niks van een storing bij de ING gehoord. Wanneer we de ING mailen dat we een geldtekort dreigen te krijgen als we niet snel ergens kunnen pinnen krijgen we een paar dagen later het antwoord: ‘we hebben meer tijd nodig om uw vraag te beantwoorden. We zullen u bellen en als we u niet kunnen bereiken sturen we een brief.’ Uitmuntende klantenservice jongens, voor klanten die in het buitenland zijn met een andere tijdzone en dus slecht bereikbaar per telefoon en helemaal niet per brief. Na zo’n 10 dagen krijgen we een nette mail, inclusief oplossing, maar dat was wel een beetje laat.

Bij Lima begroeten we ook de rechte vierbaans snelweg enthousiast. We zijn wat minder te spreken over onze medeweggebruikers. Die lijken stuk voor stuk genoeg te hebben van het leven. Spiegels zijn voor mietjes en inhalen moet altijd, met veel getoeter en eindigend met het afsnijden van je voorganger. We worden over de vluchtstrook ingehaald door een vrachtwagen. En op gegeven moment worden alle vier de banen van de snelweg voor richting Lima gebruikt. Het is ons een raadsel waar de auto’s zijn gebleven die toevallig de andere kant op moeten. Gelukkig staan er hier en daar politieagenten die ongeduldig bewegingen maken die in deze context lijken te betekenen dat we door moeten rijden. Ze blazen er ook bij op hun fluitjes. Extreem nuttig op een weg waar mensen al druk bezig waren om hun leven te riskeren om twee minuten eerder thuis te zijn.

Langs de kustweg en via wederom een doolhof van eenrichtingsverkeer (wat hebben ze daar toch mee hier?) komen we aan bij het Hitchhikers Backpacker hostel in de mooie wijk Miraflores. Dit is een typisch hostel met woonkamer met geragde bank en tv, matig hygiënische keuken, veel rondhangende mensen en een ontspannen sfeer. We passen nog net op de kleine parkeerplaats. Er passen er vier, er staat al een Franse camper die er nu niet meer uit kan.

We houden een rustdag. Met slechts één belangrijk doel: ceviche eten in het ons warm aangeraden restaurant. We horen al tijden van medereizigers dat dit een lokale lekkernij is die je zeker niet over mag slaan. Om vast in de stemming te komen van culinaire hoogstandjes bakken we pancakes voor ontbijt en nuttigen die met veel Maple syrup. Excellent.

De andere activiteiten voor deze ‘rustdag’ zijn: wassen, schoonmaken, geld zoeken, inkopen, autoreparaties, koffie. Voor de lunch vinken we de was, de koffie en het geld af. Na al het zoeken geeft de Scottia bank ons zomaar zonder extra kosten of foutmeldingen onze flappen. Kwin, Philp en Nadine gaan ook nog naar de kapper. Wanneer we bij het ceviche restaurant aankomen blijkt die een dag in de week gesloten te zijn. Drie keer raden. Dus gaan we op zoek naar een andere lunchplek. Uiteindelijk vinden we een ander sjiek restaurant waar ze ook verschillende ceviches serveren. Heerlijk! We zijn er nog niet helemaal achter wat de definitie nou precies is, gezien er verschillende versies zijn. Het heeft in ieder geval met rauwe vis te maken (al kan het ook met gekookte garnalen) en meestal met een dressing van limoen, ui en koreander.

Na de lunch maken we de binnenkant van de auto schoon en repareren we met kit een lekje bij de voorruit. Dan is het hoog tijd voor een biertje voordat we naar de supermarkt gaan. Dat blijkt een Wholefoods-achtig exemplaar met prachtige producten voor bizarre bedragen. Een mevrouw staat vol overgave het Nederlandse Eru goudkuipje aan te prijzen. Slechts 7 euro per pakje. We bouwen een mooie maaltijd van een salade, soep en brood, zonder goudkuipje.

We staan vroeg op voor de lange rit van vandaag. Vertrek: 7:35 uur. Een record voor ons. Het duurt nog best een tijd voordat we Lima uit zijn, maar uiteindelijk dunnen de stad en haar verkeer uit. Voor de lunch hebben we een heerlijk geroosterd broodje met brie van de wholefoods winkel. ’s Avonds staan we eindelijk weer aan het strand op een camping, en we maken dankbaar een wandeling met slippers in de hand. We delen het strand met gigantische pelikanen die zeker niet banger zijn voor ons dan wij voor hen. We ronden de dag af met een koud biertje.

Tot zover Peru deel 1. Meer over onze avonturen in deel 2: Pech in Peru.

 

Posted in Panamericana, Peru | 1 Comment

Hoge punten Bolivia

Wanneer we het personeel hebben gevonden begint onze eerste grensovergang met de Ford. Best wel spannend, zeker met het spookstad-achtige karakter van het dorpje en de grens. De manier waarop de medewerkers te voorschijn komen en weer verdwijnen uit woonkamerachtige ruimtes doet ons vermoeden dat ze hier per roulatie steeds een tijd werken en wonen voordat ze mogen terugkeren naar de bewoonde wereld. Mooie omgeving hoor, maar toch liever zij dan wij.

Om Chili te verlaten moet Kwin de padrón (eigendomsbewijs), zijn RUT (Chileens persoonsnummer) en paspoort overleggen. Tot onze grote opluchting hebben ze niet onze Permiso de Circulacion nodig, waarop een foutje staat. We krijgen een handgeschreven formulier mee dat ons de tijdelijke export uit Chili en import in Bolivia toestaat. Dat wordt uiteraard nog een paar keer gestempeld. We mogen nu zes maanden uit Chili wegblijven, al is het niet helemaal duidelijk wat er gebeurt als we na 6 maanden niet terugkomen.

Na deze stop bij de Aduana gaan we verder naar de Imigracion om ook zelf het land uit te mogen. We moeten een paar keer op het raam kloppen voordat er een medewerker te voorschijn komt. We leveren het briefje in van onze aankomst in Chili en klaar is kees. Het blijft een mysterieus proces, die briefjes. Bij aankomst vul je een kaart in met je persoonsgegevens, waarvan je het onderste strookje mee krijgt voor in je paspoort. Dat briefje moet je inleveren wanneer je het land verlaat, en zonder dat stukje papier kom je niet zomaar het land uit. Dat stukje proces is duidelijk, maar wat gebeurt er achter de schermen? Gaan ze echt al die handgeschreven briefjes allemaal verwerken in een of ander systeem? Weet ‘de overheid’ nu dat wij het land verlaten hebben?

Nadenkend over dit raadsel rijden we verder naar de Boliviaanse kant van de grens. Dit is het echt spannende gedeelte. Landen doen er zelden moeilijk over dat je weggaat, binnenkomen is een grotere uitdaging. We lopen een kantoor binnen dat er wel officieel uitziet. Die verwijzen ons door naar een tweede kantoor aan de andere kant van de weg. Daar moeten we onze auto laten inschrijven in hun computersysteem. Met de uitdraai daarvan mogen we verder naar deur nummer drie voor het invullen van een nieuwe entreekaart en een mooi nieuw stempel in ons paspoort. Vervolgens is het weer terug naar kantoor nummer 1, waar onze invoeruitdraai (je raadt het al) gestempeld wordt. Hetzelfde lot wacht ons formulier van de Chileense grens.

En dat is het. Ons eerste autopaspoort is binnen. We hebben niet eens een aparte verzekering nodig voor dit land. De hele procedure kostte wat tijd, maar in totaal minder dan twee uur en het was bij lange na niet zo pijnlijk als sommige medereizigers ons hadden doen vermoeden. We zetten in uitstekend humeur onze prachtige tocht voort.

Deze rit behoort zeker tot de hoogtepunten van onze reis tot nu toe (en we zitten op moment van schrijven stiekem al in Mexico). Wat een overdonderend landschap. We overwegen even om wild te kamperen naast een prachtige rotsformatie op een hoogvlakte, maar besluiten toch door te rijden naar een dorpje. Het eerste plaatsje met een hotel ligt dichtbij de zoutvlakte van Uyuni, heeft een prachtige kerk en toch zeker wel drie straten. We mogen achter het hotel kamperen en voor een opvallend laag bedrag ook even douchen. Bolivia is na het Europees geprijsde Chili surrealistisch goedkoop. Vinden we niet erg.

Behalve het indrukwekkende natuurschoon vallen ook de rode pick-ups nog steeds op. Sinds de kust in Chili is zo’n 1 op de 6 auto’s een rode pick-up. Met gele reflectorstrepen en een grote antenne als een boog vastgebonden in de laadbak. Onze theorie is dat dit auto’s zijn van de mijnen die in deze omgeving zitten, en dat werkelijk iedereen daar werkt en een bedrijfsauto heeft. Zijn nog nooit ergens geweest waar één type auto zo overheersend is. We vermaken ons al dagenlang kostelijk met het om de minuut in serieuze verbazing uitroepen van allerlei variaties op ‘Nou ja, kijk eens! Een rode pick-up!’ Tja, je had erbij moeten zijn.

We kunnen helaas nog geen goedkope benzine tanken omdat we nog geen Bolivianos gepind hebben. Omdat we al vrij dichtbij Uyuni zijn is dat niet echt een probleem. We hebben in Calama een extra benzinetankje gekocht en gevuld voor de zekerheid, omdat we niet zeker wisten of onze zuiplap het op één tank zou redden. Was achteraf gezien niet nodig geweest, en het tankje blijkt nogal een handvol. Het staat in de weg en is niet goed bestand tegen de grote hoogteverschillen op de route. Hij zet steeds zo uit dat hij rond wordt en een klein beetje lekt. Met als gevolg dat wij de route gedeeltelijk high van de benzinedamp hebben afgelegd. Misschien dat we deze route daarom zo mooi vinden. Maar geen ideale aanschaf dus, al was het prettig te weten dat we niet op 4000 meter hoogte de ANWB zouden hoeven te bellen voor een extra slokje brandstof.

De volgende dag rijden we met onze laatste benzine naar Uyuni. Dat plaatsje stelt niet zoveel voor. Paar straten, paar toeristen. We lunchen wat in het centrum en drinken een slecht kopje koffie met melkvellen. Wel bijzonder huiselijk. Na het bestellen van de koffie loopt de mevrouw naar de keuken en zet twee pannetjes met water en melk op het fornuis. Net als thuis dus, behalve dat we daar een koffiemachine met melkschuimer hebben staan…

We laten de auto wassen en van onder met olie bespuiten, als bescherming tegen het zout van Salar de Uyuni. Verder tikken we een converterstekker op de kop voor het vrolijke bedrag van 50 cent. Ook vinden we een werkende pinautomaat en een hotel. Daar mogen we op de parkeerplaats kamperen, die ook dienst doet als wasruimte en garage. Er moeten eerst twee auto’s uit voordat we erin kunnen, en daarna blokkeren die auto’s onze uitgang weer. Zij moeten morgenochtend vroeg weg, waarschijnlijk om toeristen de zoutvlakte op te brengen.

En zo geschiedde de volgende ochtend. Helaas komen al die auto’s twee uur later weer terug, nog voordat wij goed en wel zijn opgestaan. Ze beginnen onmiddellijk hun auto’s te ontmantelen en onderhoudswerk te doen. We zijn nog net op tijd met melden dat we er zo toch echt uit moeten (zoals we de vorige avond hebben afgesproken) voordat ze de wielen er afgeschroefd hebben. Dan zijn we ontsnapt en gaan we vol verwachting op weg naar de zoutvlakte.

We hebben van andere reizigers al wat spectaculaire foto’s gezien, en zien er al weken naar uit om ons busje zomaar op die grote vlakte te parkeren, de tuinstoelen ernaast te zetten en met een biertje te genieten van de zonsondergang. We zijn ook gewaarschuwd voor de onwaarschijnlijk slechte weg naar de ingang van de vlakte. Daar blijkt geen woord van gelogen, we stuiteren ruim een uur over de alle slechtste ‘weg’ ooit. Eén groot wasbord met gaten en stenen. Maar dan zijn we er eindelijk: de Salar de Uyuni.

En hij staat onder water tot zover het oog reikt. Well crap. Nu is het een groot meer in plaats van een grote witte vlakte. De omgeving is wat exotischer dan het IJsselmeer, maar daar is het meeste dan wel mee gezegd. We zien verschillende 4×4 auto’s het meer in rijden. Het lijkt een goede 50 cm diep te zijn. Met pijn in ons hart besluiten we dat het misschien niet zo’n puik plan is om daar met onze 3-tonner met tweewielaandrijving achteraan te gaan. We maken wat foto’s en keren om voor weer een uur stuiteren. We proberen nog of we kunnen slapen bij het Hotel del Sal. Dat staat naast de zoutvlakte, en misschien kunnen we dan vanmiddag nog een tour doen met een 4×4. Het hotel ziet er cool uit, met een vloer en meubels van zout, maar ze hebben geen tour meer voor die middag. En we mogen daar alleen staan als we er een maaltijd nuttigen en we mogen geen gebruik maken van de voorzieningen. Dat aantrekkelijke aanbod slaan we af, en we trillen terug naar Uyuni.

Daar vragen we nog een touroperator, en die vertelt ons gelukkig eerlijk dat niet alleen het begin, maar de hele Salar onder water staat. Zoals meestal in het regenseizoen. Regenseizoen?!? Net eindeloos door woestijngebied gereden, we hadden niet durven bevroeden dat er hier sprake zou kunnen zijn van een regenseizoen. Kwestie van slechte (geen) planning dus. Nou ja, jammer dan. We vinden het een stuk makkelijker om het naast ons neer te leggen nu we weten dat het ook met een Toyota Landcruiser (waar Kwin nog steeds heimelijk verliefd op is) niet gekund had. We komen er nog wel een keer voor terug.

We gaan weer onderweg, met als eindbestemming Potosi. We hebben absoluut nul verwachtingen van deze plek. Nog nooit van gehoord en niets over gelezen. Blijkt het zomaar de hoogste stad (met meer dan x inwoners) ter wereld te zijn. Zozo! Je maakt nog eens wat mee. De stad zelf heeft ook een leuk centrumpje met wat mooie pleintjes en gebouwen en kerken. De koffie is niet geweldig en het chocoladetaartje dat Kwin bestelt blijkt toch niet beschikbaar, maar er heerst zo’n gezellige sfeer dat we Potosi deze kleine gebreken vergeven. Ook archiveren we het onwaarschijnlijk lelijke en grote standbeeld van een voetballer aan het begin van de stad onder ‘grappige lokale afwijking’. Voetbal lijkt nogal een ding te zijn hier. Overal wel eigenlijk.

We mogen kamperen op het binnenhof/parkeerplaats van een hotel. Dat hebben we gevonden dankzij de coördinaten die andere reizigers online hebben gezet. Bijzonder handig, want de komende tijd is het afgelopen met de campingpret. Tot Mexico hebben de landen bijna geen campings. Dan is het echt erg prettig om een adres te hebben van een hotel waarvan je weet dat ze wel vaker rare kampeerbusjes hebben gezien en toegelaten. Want erg makkelijk legt het niet uit in gebroken Spaans dat je graag wilt parkeren bij het hotel, geen kamer nodig hebt maar wel gebruik wilt maken van een toilet en bij voorkeur ook douche. Als ze de woorden al verstaan begrijpen ze het concept vaak niet, en zien we veel lege blikken aan de andere kant van de balie.

De volgende dag rijden we een stukje verder naar Ojo del Inca. Dit is een thermisch kratermeertje iets boven Potosi waar je kunt picknicken en kamperen. Het uitzicht is spectaculair. Terwijl je rustig dobbert in 30 graden kijk je door wat riet uit over de vallei en de bergen in de omgeving. Het toilethokje staat in schril contrast met zijn omgeving. Dit zijn werkelijk de meest ranzige WC’s die we de afgelopen maanden zijn tegengekomen. Jammer, anders was het er perfect geweest. Er staat een Nederlands stel al een paar dagen daar te genieten, maar die hebben dan ook een eigen mini-badkamertje in hun Landcruiser met camperopbouw. We wisselen wat informatie uit (nou ja, wij kopiëren wat informatie van hen, zij zijn duidelijk beter voorbereid), douchen in het kratermeer en stappen de volgende dag weer in de auto.

Voor deze etappe staat La Paz op het programma. Een aardig eind rijden, dus we gaan op tijd op stap. Er zijn veel werkzaamheden langs de weg, en we zien met enige jaloezie dat reizigers na ons over enige tijd kunnen genieten van een 4-baansweg. Wij doen het nog met 2 banen en veel desvios. Bijzonder spijtig, want er zijn nogal wat langzame colectivos (kleine openbaar vervoer busjes) die allemaal ingehaald moeten worden. De locals doen dit op de standaard Zuid-Amerikaanse manier: met veel ongeduld, hard getoeter en een vleugje doodswens.

We zijn wel te spreken over het feit dat ze op zo veel plaatsen aan de weg aan het werk zijn. Een goed teken voor een verder nogal arm land. Die armoede weerhoudt ze er overigens niet van in grote onzuinige auto’s rond te rijden, want de benzine is hier voor locals bizar goedkoop. Zo’n 30 eurocent per liter. Met dank aan de huidige president, die met dit subsidiebeleid op benzine zijn verkiezing en herverkiezing heeft binnengehaald. Hij staat ook overal langs de weg op posters met slogans over lang leve Bolivia en haar goede wegen. De benzine is voor buitenlanders duurder. Officieel een schokkende 90 cent per liter, al geven de meeste tankstationhouders (en buitenlandse tankers) er de voorkeur aan om het ‘sin boleta’ te doen en een prijs tussen de 30 en 90 cent te onderhandelen. Steken zij het verschil in hun zak, en heeft de reiziger er ook voordeel aan.

Rond de lunch komen we langs Oruro, en eten we er allebei een vol bord kip, rijst en frietjes. Kosten lunch inclusief grote fles frisdrank: 5 euro. Goede deal dus. De gemiste afwezige is de groente. Aardappelen lijken hier onder die categorie te vallen, met zowel rijst als aardappels in een plato. Zouden ze best eens gelijk in kunnen hebben, maar voor een beetje Nederlander is een maaltijd natuurlijk niet compleet zonder zowel Aardappels, Groente als Vlees.

We gaan verder richting La Paz. De rit is weer prachtig. We rijden over hoogvlaktes omringd door indrukwekkende bergen en doorsneden door kabbelende riviertjes. Na al het moois van de afgelopen tijd komt het bijna niet meer binnen. Het intense gevoel van ontzag dat we voelden bij eerdere hoogstandjes van de natuur wil even niet meer terugkomen. Zouden we verzadigd zijn met mooie dingen?

Nee, alleen een beetje verwend, blijkt aan het eind van de middag. We kiezen een kleinere weg om niet door het centrum van La Paz te hoeven om bij ons hotel te komen. Deze route gaat door een vallei, en het is een sprookjesachtige ervaring. Van een afstandje lijkt het net een Efteling plaatje, met hoge gatenkaas rotsen, blauwe meertjes en pittoreske dorpjes. Aan de andere kant van de vallei ligt onze bestemming: Hotel Oberland.

Dit hotel heeft een Zwitserse eigenaar, en dat zie je duidelijk in de inrichting van het restaurant. Mocht je dan nog twijfels hebben, dan verdwijnen die abrupt na een blik op de kaart (kaasfondue, raclette). We hebben net een grote lunch gehad, dus we kunnen ons nog net beheersen om een grote kaasmaaltijd te bestellen. Wij kijken wel wat jaloers over ons soepje naar de kaas fonduende mensen.

Het hotel beschikt, zoals de naam al doet vermoeden, ook over een staplaats voor ‘oberlanders’. Dit lijkt de geuzennaam te zijn voor mensen die per auto door de Amerikaanse continenten reizen. Er staan al een aantal van dit soort figuren op de parkeerplaats. Er zijn grofweg twee categorieën: vage hippies in geragde Volkswagenbusjes en gepensioneerde full-time reizigers met gelikte apparatuur en ditto voorbereiding. (Uiteraard passen wij, uniek als we zijn, niet in een van de hoofdcategorieën.) Welk type dan ook, voor iedereen is het goed toeven bij dit hotel, met nette voorzieningen, elektriciteit en wifi.

De volgende twee dagen staat La Paz op het programma. We pakken een minibus heen, en komen zo’n 200 haarspeldbochten en wat serieus verkeer later aan in het centrum vanuit onze lager gelegen suburb. Een erg bijzondere stad! Het centrum is gebouwd in een vrij smalle vallei tussen twee steile heuvels, en toen die vol was zijn de huizen steeds verder die heuvels op gekropen. Ondertussen is het een miljoenenstad die over vele heuvels en valleien gedrapeerd ligt. Het is ook opvallend modern, gezien de ernstige armoede die in de rest van het land heerst. Er zijn grote winkelketens en supermarkten, en we vinden na een misser ook een goed koffietentje. Met wifi. Twee verslavingen in een klap. We komen daar ook een ander Nederlands stel tegen. Toeval?

We wandelen wat door de stad, en lopen tegen een oud klooster/museum aan. Het is wel een mooi gebouw dus gaan we naar binnen. Het wordt een prachtige tijd. De kunst is niet heel bijzonder, maar we krijgen er gratis een gids bij. Deze jongedame is helemaal nerveus omdat het de eerste keer is dat ze de tour in het Engels doet. En ze legt werkelijk ieder detail van ieder lelijk schilderij uit. Dat brengt ze daadwerkelijk tot leven, en we vermaken ons kostelijk met onze gids en het uitwisselen van taaltips. Op de tweede verdieping wonen nog Franciscaanse monniken, al weten ze niet precies hoeveel. Die schijnen te komen en te gaan. Via wat kleine stenen trappetjes kunnen we het dak op, met een mooi uitzicht over de stad.

Met een brede grijns verlaten we het museum, en ontdekken in de straten daarachter een hele wijk vol superkleine autowinkeltjes. Het is ook nog opgedeeld per straat of blok welke onderdelen precies verkocht worden. Kwin is in het kinderspeelparadijs. Er zijn allemaal dingen zomaar te koop die je in Nederland alleen (duur) via de garage kunt krijgen. We kopen een paar reserve onderdelen voor ons busje en vergapen ons aan al die mooie mechanische hoogstandjes in de vitrines.

Dan is het hoog tijd voor het avondeten. We lopen over de hoofdstraat, en vinden een restaurant met een zodanig foute inrichting dat het weer cool is. Er is veel rood, onder andere in de vorm van hartjesballonnen. Er is een wand met gigantische fonteinvijver inclusief nepplanten. Er zijn doorzichtige tafels met stenen en schelpen onder het glas. Dit is te veel voor ons om te weerstaan en we schuiven enthousiast aan. Het eten blijkt ook goed binnen te houden, en we weten eigenlijk al dat we ook morgen deze stijlloosheid niet zullen kunnen weerstaan.

Op de terugweg kunnen we geen bus vinden die teruggaat naar onze buitenwijk, en uiteindelijk nemen we een taxi. Kost wel 30 hele Bolivianos, zo’n 3 euro. Voor een rit van bijna een half uur. Mooi toch? De bus is wel veel goedkoper hoor, dat kost maar 50 cent voor diezelfde afstand.

Onze tweede dag in La Paz komen we goed uitgeslapen wat later aan in het centrum. Daar nestel ik mij in ons favoriete café om wat te bloggen terwijl Kwin weer de autowijk in trekt om nog wat dingen aan te schaffen. Zoals voorspeld eten we wederom een prima maaltijd in stijl, waarna we wederom geen busje kunnen vinden voor de terugweg. Dit keer blijkt een taxi wat lastiger. Ze vragen deze avond twee keer zo veel als gister. Nog steeds niet veel natuurlijk, maar het is onze eer te na om ons zo bewust te laten oplichten. Na een half uur staan we nog steeds met vele andere forensen bij een kruispunt te wachten op een geschikte bus of taxi.

Een mevrouw hoort wat een taxichauffeur tegen ons zegt, en ze drukt ons op het hart dat het echt niet meer dan 30 zou moeten kosten. Ze vraagt het nog voor ons bij een andere taxi, zonder succes. Even laten wordt zij opgehaald door haar vriend. Ze is al ingestapt, maar komt dan naar ons terug en zegt dat we mogen meerijden voor 30 Bolivianos. Zij gaan toevallig dezelfde kant op. We stappen in, en beleven een mooie rit die een grote oefening spreekvaardigheid Spaans blijkt. Ze zijn onder de indruk van onze reis, en wanneer ze ons voor ons hotel afzetten hoeven we niet meer te betalen. Wat een aardige mensen!

Na drie goede nachten in Hotel Oberland trekken we verder richting Copacabana en het Titikaka meer. Fase 1: de stad uit. Hiervoor moeten we door het centrum, en we raken een keer niet zozeer de weg kwijt als dat hij te steil wordt. Daar gaat onze poging om zo snel mogelijk via wat kleinere wegen de stad uit te gaan. Om met een stijgingspercentage van niet meer dan 20 de stad uit te komen zal je toch echt de drukke hoofdweg moeten nemen. Het lukt, en we worden beloond met een prachtig bovenaanzicht van La Paz.

In een buitenwijk van de stad vinden we een pinapparaat en vragen we bij verschillende garages en winkels of ze toevallig een vierkante schroevendraaier hebben. Nee, niet die stervormige dingen. Vierkant. Daar hebben ze nou nog nooit van gehoord. Wij ook niet, tot voor kort. Nou ja, ik niet, Kwin wist te vertellen dat de Canadezen hun eigen schroef hebben. En omdat ons busje in Canada is ingebouwd, zit alles vast met schroeven met een vierkante sleuf. Hoewel de Canadezen heel trots zijn hun eigen schroef te hebben, is het niet bijzonder praktisch bij geëxporteerde producten. We hebben het nu nodig omdat het achterlicht bij het dak is gaan lekken. Een kwestie van even openschroeven, wat kit spuiten en weer dichtdraaien…

Uiteindelijk besluiten we er een proberen te maken. We stoppen bij een garage en werkplaats, en leggen wederom ons dilemma uit. Nou, veel interessanter hadden we het niet kunnen maken. Een buitenlandse auto, een blonde vrouw die in gebrekkig Spaans iets technisch staat uit te leggen en dan ook nog een bizarre schroef die ze nog nooit hebben gezien. Het duurt niet lang of de hele straat staat om onze auto heen, en allemaal willen ze even op de bumper staan om die rare schroef te bewonderen. Liefst met vijf tegelijk. Lastig hoor, als mensen je echt oprecht proberen te helpen maar ondertussen om en op je auto staan op een manier die je toch niet echt kunt waarderen.

Uiteindelijk lukt het met veel bijslijpen om van een gewone schroevendraaier een min of meer vierkante te maken in min of meer de goede maat. Het hele dorp helpt om die paar schroeven van ons achterlicht los te krijgen, en men schreeuwt enthousiaste triomf wanneer er weer eentje gelukt is. Na enige tijd en vele vieze vingers op en in onze auto hebben we het achterlicht eraf. We bedanken iedereen hartelijk, geven ze een tip die ze eerst niet willen aannemen en zijn blij weer verder te kunnen rijden. Dat achterlicht maken we vanavond wel weer (water)dicht. Uiteraard gaat het niet veel later regenen.

Onderweg rijden we om voor het checken van wat oude meuk bij Tiwanaku. Er zijn resten van de beschaving van vóór de Inca’s. Die konden daar goed leven door indrukwekkend goed gebruik van de omgeving. Met slimme irrigatiekanalen konden ze gewassen verbouwen. Doordat de kanalen overdag de hitte van de zon opnamen en die warmte ’s nachts weer afgaven hadden ze minder last van vorst in de gewassen. En vervolgens gingen ze die kanalen ook gebruiken voor het kweken van vis. Die konden ze opeten, en door de uitwerpselen van die vissen in het dreg van de kanalen kon dat dan weer gebruikt worden als mest voor de gewassen. In een recent onderzoek is gebleken dat deze methode meer productie oplevert dan veel moderne technieken, met name door het succesvol tegengaan van vorst. Gaaf hè! Die indianen, die wisten wel waar ze mee bezig waren. Al deden ze dan ook weer aan mensenoffers enzo, maar goed, je kunt niet alles hebben. (Deze paragraaf is mede tot stand gekomen dankzij Wikipedia.)

De ruïnes zijn wel aardig. Van het meeste is niet veel overgebleven. Er is een kuil met een paar beelden en allemaal hoofden in de stenen muur die indrukwekkend is, en op het terrein staan hier en daar standbeelden met mooie inscripties. In het museum staat welgeteld één artikel, namelijk een grote versie van zo’n standbeeld. Al met al een interessante stop, waarna we snel weer verder gaan richting het Titikaka meer.

Om in Copacabana te komen moeten we een rivier oversteken. De beschikbare middelen: een soort grote vlotten zonder reling met een planken bodem met grote spleten en een buitenboordmotor. Ze heten ‘veerboot’. Er passen ongeveer twee auto’s per boot. Gelukkig zien we net voor ons een met stenen beladen loeizware vrachtwagen zonder blikken of blozen de planken op rijden. Het kan dus. Vol spanning rijden ook wij ons geliefde busje de boot op, en kunnen vervolgens genieten van een mooi uitzicht vanaf het water. Het water is vrij rustig, en we komen zonder problemen aan de overkant.

Het is ondertussen donker geworden en gaan regenen, maar dan komen we eindelijk aan bij Copacabana. Er is een politiepost voor het dorp. Omdat het regent moet Kwin even naar binnen het kantoortje in. Hier denkt hij de agent te slim af te zijn. Hij krijgt ongelijk.

  • Agent: Cinco.
  • Kwin: (in alle onschuld) Que cinco?
  • Agent: Cinco Bolivianos.
  • Kwin: (listig) Tiene un boleto? (Bonnetjes worden doorgaans alleen uitgeschreven voor officiële, niet illegale kosten.)
  • Agent: No problema!

En hij loopt naar zijn bureau, pakt een dik stapel officieel uitziende bonnetjes voor ‘registrado’ en zegt ’20 Bolivianos por favor’. D’oh! Kwin schiet in de lach en de agent kan er ook wel om grijnzen. Hij zegt dat hij daarom slechts vijf vraagt zonder bonnetje. Nog steeds dubieus natuurlijk, maar Kwin vindt dat de agent eerlijk gewonnen heeft en betaalt hem 5 Bolivianos.

We vinden een hotel aan de waterkant waar we op de binnenplaats/parkeerplaats mogen staan. We lopen het dorp in en vinden het opvallend hoe weinig er is. Was dit niet een toeristische plek? We vinden wel een rastahippie die een pizzatent runt. Om mysterieuze redenen staan er boxen naar buiten gericht met knalharde muziek, een gewoonte van restaurants en winkels die ons al vaker is opgevallen. Gelukkig staat het volume binnen aanzienlijk zachter (niet altijd het geval). Misschien is het idee dat het geluidsvolume buiten zo pijnlijk is dat je snel naar binnen vlucht en daar dan ook maar wat bestelt. De pizza is prima, en daarna gaan we snel slapen na een lange dag.

De volgende ochtend besluiten we om een dagje reisvrij te nemen, oftewel ons niet te verplaatsen en geen dingen te bezichtigen. Lekker ontspannen, hoewel het meestal ook betekent dat we ons busje onderhouden en andere huishoudelijke taken uitvoeren. We kopen een kaartje voor de volgende dag om per boot naar het Isla del Sol te gaan om daar te wandelen. We komen er achter dat het inderdaad een toeristisch dorp is, maar dat dit zich grotendeels beperkt tot één bizar toeristische straat.

Daar gaan we uiteraard op jacht naar een goed kopje koffie. De tweede poging is redelijk geslaagd, en we genieten vooral van het schouwspel van kinderen die elkaar enthousiast met waterpistolen achtervolgen. Schijnt een pre-carnavalstraditie te zijn. We eten ’s avonds wel aardig, met als catastrofale afsluiter een panqueque chocolata voor Kwin. Het is een oeroude pannenkoek uit zo’n voorgebakken pak dat slecht is opgewarmd en met vieze chocoladesaus overgoten. Het was zo ernstig dat Kwin hem niet eens heeft opgegeten. We gaan snel naar huis om de smaak met een kopje thee weg te spoelen en op stok te gaan: morgen weer vroeg dag.

De boot naar Isla del Sol vertrekt, net als iedere toeristentour ooit, muy muy temprano. De mannetjes van de boot komen aanlopen met een zakje olie, om mengsmering te maken van hun benzine voor de kleine buitenboordmotors. Nu begrijpen we ook waarom die boottocht zo lang duurt. In het begin is het nog mistig en valt er niet zo veel te zien. Langzamerhand klaart het echt op, en krijgen we mooie doorkijkjes te zien van het Titikakameer en haar eilandjes. De Isla del Sol en Isla de la Luna zijn belangrijk voor de Maya’s (of waren het nou de Inca’s?), volgens de legendes is daar hun geloof ontstaan.

Aangekomen op het zonne-eiland beginnen we met onze wandeling naar de andere kant van het eiland, waar we weer de boot terug nemen. Aan het begin van het pad staat er een local met een bonnenboekje. Wat zullen die goede zaken doen, de bedrijven die bonnenboekjes leveren aan Bolivia. We zijn wat sceptisch, maar het lijkt een ‘officiële’ betaalpost voor het passeren van het noorden van het eiland. Weten we meteen dat ons ook in het zuiden nog wat te wachten staat. We betalen en wandelen verder. Het is een mooi pad, hier en daar langs wat huizen en steeds met mooi uitzicht over het meer. Opvallend is dat vrijwel ieder stukje heuvel, hoe schuin ook, gecultiveerd is in terrassen voor landbouw. Het geeft de omgeving een grappig accent, met al die groene lijnen.

Helemaal in het noorden van het eiland staan nog wat oude resten. Een soort offertafel in een verder leeg veld, en een heel gaaf doolhof aan huizen en steegjes iets verderop. We lunchen een broodje pindakaas aan de offertafel in het doolhof en genieten van het uitzicht. Dan beginnen we aan onze tocht naar het zuiden. Het is lekker om weer even de benen te strekken. Zo met de auto bewegen we toch aanzienlijk minder dan tijdens onze fietsreis…

Midden op het eiland, midden in een weiland, bovenop een heuvel staan opeens weer twee vrouwtjes met bonnetjesboekjes. De wandelaar voor ons heeft een probleem: doordat de ‘touroperator’ die de bootjes regelt niet heeft vermeld dat je op het eiland ook nog van alles moet betalen, heeft hij net niet genoeg geld bij zich voor het ticket voor het zuiden van het eiland. Uiteindelijk laten ze hem door met een korting van vijf cent. Ook wij schaffen met gemengde gevoelens een bonnetje per persoon aan. Er is sprake van enige irritatie over de manier van tolheffing: als ze ons van te voren hadden gemeld dat de wandeling geld kost dan hadden we onze schouders opgehaald. Ach, het is goed dat die mensen hier ook iets aan het toerisme verdienen en uiteindelijk gaat het om een bedrag van niets. Maar om het zo te doen, onaangekondigd en in verschillende delen, dat riekt toch naar afzetterij. Al helemaal wanneer we tegen het eind van de route post nummer drie tegenkomen. We informeren beheerst of dit onderdeel van het eiland toevallig niet onder het ‘zuiden’ valt, en inderdaad, dit is de heffing voor toegang tot deze specifieke gemeente van het eiland. *zucht*

Tijdens een pauze voor het eten van een snack, drinken van water en bewonderen van het prachtige uitzicht komen we een Amerikaan tegen. We lopen een stukje met hem op, en hij blijkt een verstokte reiziger: zodra hij ergens langer is dan een paar maanden dan krijgt hij jeuk en moet hij weer verder. Zo zie je wel veel van de wereld, maar het lijkt mij persoonlijk een onrustig en saai bestaan. Niet dat reizen saai is, maar de levensstijl is wel wat eentonig. Zeker prettig, de voortdurende jacht naar een goed kopje koffie. Absoluut prachtig, al die andere culturen en mensen en omgevingen. Maar als je de sleur van thuis probeert te ontvluchten krijg je er gewoon een ander type sleur voor terug.

Ik kan me zeker voorstellen dat mensen de reis-sleur aangenamer vinden, maar als je langer op een plek blijft dan weet je al waar je goede koffie kunt halen en kan je verder met andere belangrijke zaken. En ja, je bouwt met reizen ook wat op in de vorm van ervaringen en herinneringen, misschien hier en daar wat levenswijsheid, maar om voor mij onverklaarbare redenen voelt dat voor mij niet als volledig. In alle pracht en praal van het cultuurschoon en de luxe van lang leven de lol mis ik de mensen van thuis, mijn interessante kantoorbestaan, het ‘behalen van resultaten’. En bedankt, Calvijn.

Maar geen zorgen: voorlopig lukt het ons nog uitstekend om ons bestaan zin te geven door bijvoorbeeld het genieten van een glaasje fris aan het eind van onze wandeling op een mooi terrasje met uitzicht. Terwijl we daar zitten te ontspannen vragen andere wandelaars die we eerder zijn tegengekomen of we niet die boot van over een paar minuten wilden halen. Oh crap! Helemaal de tijd vergeten. We begrijpen er niets van. Er lijkt iets aan de hand te zijn met een uur tijdsverschil, want onze telefoons vinden dat we nog ruim een uur hebben. Maar we zetten er stevig de pas in, en komen erachter dat we nog minder dicht bij de haven waren dan we dachten. De baai met de haven is prachtig, met een lange stenen trap die naar de kust afdaalt met een klein watervalletje ernaast.

Beneden aangekomen is het wat onduidelijk of we nu onze boot gemist hebben of niet, maar na een klein kwartiertje wachten blijkt er toch een boot te zijn waar we met onze tickets op mogen. In scherp contrast met die ochtend is het nu warm en zonnig, en we kunnen op het dak van de boot zitten. Het is een relaxed boottochtje over het Titikakameer. Zo zonder mist is het meer nog veel mooier. Ook een bijzonder gezicht is de jongen naast ons die werkelijk sprekend op een jonge Sylvester Stallone lijkt. Hij gaat er ook helemaal voor, met bijpassende bril en kapsel.

We komen terug in Copacabana, nemen een douche en vinden vervolgens het restaurant waar we eigenlijk iedere dag hadden moeten eten. Met lekkere jazz op de achtergrond, een vriendelijke eigenaar en ober en heerlijk eten beleven we een zeer aangename avond.

De volgende ochtend is het dan eindelijk zo ver: we gaan onze auto laten zegenen namens een heilige maagd. Het is een heel circus voor de mooie witte kerk. Lang voordat de ochtendzegening start staan er al verschillende rijen auto’s te wachten (wat nou tweerichtingsverkeer), en mensen gaan helemaal los. Het staat er vol met stalletjes die dingen verkopen waarmee je je auto kunt versieren. Bloemstukken, bloemblaadjes, slingers, gouden hoedjes, the works. Het is een hele familieactiviteit, iedereen is enthousiast de auto aan het behangen. Hoe langer er gewacht moet worden, hoe extravaganter de versieringen worden. Er zijn ook flessen nepchampagne die je kunt kopen om na de zegening over je auto te spuiten.

Het is tijd, en er komen verschillende priesters in bruine gewaden en baseball caps naar buiten. Ze hebben een emmertje water en sjieke pleeborstel bij zich. We komen er te laat achter dat je een extra uitgebreide zegening krijgt als je een kaartje hebt gekocht. Met dat ticket worden ook je motor en interieur apart gezegend. Omdat dit het besprenkelen met water inhoudt vinden we het niet zo erg dat wij slechts het basispakket hebben, zitten we straks ook nog droog op onze stoelen. De priester zegt per auto een gebedje bij de voorkant, en loopt al zwiepend met borstel en water een rondje om de auto. Een heel apart ritueel, des te vreemder omdat het voor iedereen zo duidelijk een bloedserieuze aangelegenheid is. We worden toch wat meegesleept door de plechtige sfeer.

Die wordt even later abrupt afgebroken door de politieagenten die het verkeer met veel gefluit en druk gezwaai weer op gang proberen te brengen. De stoet versierde en met water en nepchampagne besproeide auto’s rijdt tevreden het dorp uit.

Bij het verlaten van het dorp is een ondernemende ziel gaan staan met een bonnenboekje. Helaas staat er op het bonnetje een of andere bezienswaardigheid die wij niet hebben bezocht of willen gaan bezoeken, en we delen de beste man mee dat we hem vriendelijk bedanken voor de bijdrage. Hij gebaart nog even dat we dan het dorp niet uit mogen, maar we rijden toch maar door. We worden niet achtervolgt door wie of wat dan ook, dus we nemen aan dat we de situatie correct hebben ingeschat: leuk geprobeerd, maar niet legaal.

Het is maar een korte rit naar de grens. Aan de Boliviaanse kant krijgen we nog wat stempels, en wanneer we door willen rijden zegt de agent dat we een stempel missen. Gezien de hoeveelheid stempels die we al hebben lijkt ons dat onwaarschijnlijk, maar er blijkt toch nog een kantoortje te zijn. Een aardige vent, die ons zonder problemen het ontbrekende stempel geeft. Hij vraagt vervolgens wel om een biertje. Ach, voor zover verzoeken om steekpenningen gaan is die heel mild. Maar nog steeds niet netjes en bovendien staat ons busje met koelkast en bier best een stuk verderop. Dus we zeggen beleefd nee, bedanken hem hartelijk en mogen van de agent nu wel doorrijden.

Op naar Peru!

 

Posted in Bolivia, Panamericana | 2 Comments

Chillen in Chili

We zijn ondertussen al 7849 km, 11 landen en 1 continent verder, en met nog maar 2,5 maand te gaan wordt het al bijna tijd om nostalgisch te gaan terugkijken op onze reis door de Amerika’s. Maar we zijn jullie natuurlijk nog onze avonturen schuldig van de afgelopen 2,5 maand. Time flies when you’re having fun…

Op dag 1 van onze panamericana reis te camper rijden we richting Valparaiso. In het campingboekje hebben we een camping zien staan iets daaronder op een groen uitziende landtong. We zijn woest enthousiast over onze eerste etappe op de panamericana. We zijn eindelijk onderweg! En de weg heet ook nog echt Panamericana! Een kleine 40 km voor de camping komen we op een slechte zandweg. En komen daar ook niet meer van af. We twijfelen steeds harder of deze weg uitkomt op de camping die staat beschreven, en of daar ooit nog iemand komt over deze slechte weg. En of wij daar ooit nog zullen komen. Want hoewel ons busje vrij fantastisch is, kan off-road niet de eerste prioriteit geweest zijn met z’n ruim 3 ton en (achter)tweewielaandrijving.

Het wordt donker, en we stoppen op een open plek in het bos. We zijn ondertussen zo ver dat we daar wel willen gaan staan en morgen zo snel mogelijk terug. We komen uiteindelijk in het donker aan. Eerder zijn we al een keer uitgestapt bij een opening in het bos om te kijken of we daar sporen van een camping kunnen vinden. Dat was niet zo, maar we vonden wel weer het onverlichte bospad. Dat kwam zo’n 100 meter verder uit op een ‘camping’. Als de andere campinggasten er niet hadden gestaan betwijfelen we of we het hadden herkend als zodanig. Er is een hokje met wat WC’s, en na een korte verkennende boswandeling met zaklamp blijken er ook onverlichte douches te zijn. Koud uiteraard.

We slapen verder prima, en we zijn zeer in ons nopjes met hoe dapper ons V8 scheurijzer ons ook weer terugbrengt naar de bewoonde wereld. We rijden via Valparaiso naar Viña del Mar, een mooi kustplaatsje. We stoppen bij een boulevard aan het strand voor een kopje koffie. Dat is heftig genieten. Aankomen met je eigen auto, kunnen stoppen wanneer je wilt, en dan een strandtent vinden met comfortabele stoelen, vriendelijk service en ook nog eens goede koffie. Na deze topervaring maken we een wandeling door de stad, en krijgen we een routebeschrijving naar een LPG tankstation. Kunnen we ook zelf gaan koken. Wij gaan op weg, en worden helemaal horendol van het eenrichtingsverkeer. Daar zijn ze hier fan van, ze zijn ook van mening dat je dat gewoon weet en bordjes overbodig zijn. Wij zien ons dan ook regelmatig geconfronteerd met een rij koplampen en luid getoeter.

Na de nodige U-turns, omleidingen en files hebben we het eindelijk gevonden: een LPG tank met een bediende die na een blik op onze aansluiting bemoedigend knikt en hem aansluit. Een verademing na onze vruchteloze zoektocht door Santiago. De meneer zet de tank aan, en…

hij bleek al vol te zitten. Er gaat nog geen halve liter in. Zo lang gezocht naar een tankstation, rijden we al dagenlang rond met bijna 20 liter gas. D’oh!

Toch overheerst de vreugde: we kunnen nu in ieder geval zelf gaan koken. We gaan direct naar de supermarkt om in te slaan, en ook nog een keer langs de Sodimac voor een 220/110 volt converter.

Dan is het hoog tijd om de camping op te zoeken. We hebben weer een adres, maar het lijkt weer eenzelfde verhaal te gaan worden als de dag ervoor. Van de snelweg af komen we op een hobbelige zandweg. Het is dit keer van korte duur, de weg loopt al snel dood en wordt bevolkt door labiel ogende en agressief blaffende honden. Hmmm. We moeten draaien met weinig ruimte, maar ik durf niet uit te stappen bij het roedel hongerige honden om te helpen kijken. Het lukt uiteindelijk, en na het zorgwekkend wegslippen van de banden komen we er toch nog weg. De camping blijkt aan het einde van een andere zandweg te liggen. Prima plek, en we maken er onze eerste campingmaaltijd van onze reis.

De volgende dag nemen we de bus naar Valparaiso. Deze stad ligt aan de zee tegen een heuvel aan. Onderaan de stad bij de kust is het een typische sleazy havenstad. Niet echt ons ding. Op een pleintje staan een aantal Chinese auto’s ten toon. Grappig, het zijn allemaal merken die we in Europa niet hebben. (Omdat ze niet slagen voor de veiligheidstesten. En misschien wat Europees protectionisme…) Het ziet er allemaal nogal Ikea uit (praktisch, maar je ziet dat het niet duur is en niet lang mee zal gaan). We eten een prima Menu del Día, en wandelen daarna naar boven. Daar is het een compleet andere wereld. Het voelt als een gezellige woonwijk, en alle trappen en terrasvorming geeft het een pittoreske uitstraling. Naast een goed kopje koffie zijn we op zoek naar de beroemde funiculars van Valparaiso, de tramliften die mensen de steile heuvels op en af dragen. Hoewel het een leuke wandeling is en we volgens verschillende kaarten en locals heel dichtbij komen, vinden we geen van beide. Uiteindelijk geven we het op en nemen we genoegen met een blik op een funicular in de verte. We stappen weer op de bus terug. Valparaiso: check.

 

We rijden verder naar La Serena. Daar vinden we een mooie camping aan het strand, boordevol scouts. We doen een dagje strand, waar we gigantische pelikanen zien en hele vieze koffie drinken. In een hotellobby doen we nog een drankje, tot grote consternatie van de bediening. Wat komen wij hier doen en hoe werkt het eigenlijk om mensen een rekening te geven? Bij nader inzien lijkt het of het een privé hotel is voor lokale mensen, maar ja, dat hadden ze dan even moeten zeggen. We bellen nog even rustig met het thuisfront. Erg leuk dat FaceTime, als je langer weg bent. Kan je elkaar toch nog even zien en spreken. Die avond komt er een eindeloze stroom mensen binnen op onze camping en die ernaast. Het zal wel weekend zijn.

De dag erna rijden we naar Chañaral. Daar ervaren we een typisch Chileens probleem bij de camping. De bonnetjes zijn op, dus kunnen we niet op de camping staan. Ja, er is wel plek hoor, maar ze mogen ons geen plek verkopen zonder bonnetje. Maar wij hebben echt geen bonnetje nodig mevrouw. Nee helaas, het kan echt niet. Een sterk staaltje bureaucratie. We krijgen het vermoeden dat het bijzonder streng gaat met die bonnetjes. Je krijgt het echt bij alles, ook voor twee broodjes bij een rommelmarktachtig tentje op straat. We denken terug aan de gigantische stapel papierwerk die een mevrouw kwam inleveren bij de Municipalidad in Santiago toen Kwin zijn RUT aan het halen was. We huiveren bij de gedachte dat er met al die bonnetjes nog wat gedaan moet worden, en dat het iemands baan is om dat te doen. Arme belastingdienst.

We verlaten de mooie camping, en vinden iets verderop een tokkie camping. De locatie is mooi aan het strand, maar de voorzieningen en mensen zijn nogal basis. Van die mensen die hun haar, lege shampoozakjes en oude BH’s in de douche laten liggen. Dat upgrade zo’n ruimte van gewoon geragd naar ranzige zooi.

 


We trekken de volgende dag snel verder naar Parque National Pan de Azúcar. Een prachtige weg! Droog woestijnlandschap met alle kleuren geel en bruin met daarnaast de blauwe zee met blinkend wit stranden. De camping ligt aan zo’n strand. Iedere plek heeft zijn eigen afdakje met picknick tafel en BBQ. Er is veel ruimte tot volgende plek en het uitzicht is heerlijk. Het is warm genoeg om geen last te hebben van de koude douche. We drinken een geweldig koud biertje in onze fauteuils. Boekje erbij, dag compleet.

 

De twee dagen daarna volgen het stramien ‘ochtendwandeling, strandmiddag’. De eerste dag maken we een mooie wandeling door een droge rivierbedding. De vegetatie is woestijnachtig, maar door de beschutting van de kloof groeit er meer dan op andere plekken. De dag erna beklimmen we de ‘Mirador’, een hoge heuvel met prachtig uitzicht over de zee en het strand. Het weer is lekker warm, en na deze zweterige activiteit kunnen we weer welverdiend ontspannen in ons mobiele strandhuisje.

 

We rijden verder naar Antofagasta. Onderweg komen we erachter dat Kwin’s zonnebril kwijt is. We checken de hele auto, maar kunnen hem nergens meer vinden. Jammer. De route is weer een mooie kustweg in droog woestijnlandschap. De stad zelf is niet zo veel aan; een grote havenstad met hier een daar een mooi koloniaal gebouw. We vinden wel een goed Menu del Día bij een strandtent, en iets buiten de stad een camping. Hier krijgen we in het toiletgebouw een eigen hokje met douche en toilet. Geinig, al vinden we dat de douche ook best warm had mogen zijn voor twintig euro. We zijn ondertussen wel goed geoefend geraakt in het koud douchen. Dit blijkt een veel sneller proces te zijn dan de gemiddelde warme douche.

’s Avonds redt Kwin mijn slipper, door de hond te achtervolgen die hem ontvoerd heeft. De slipper overleeft het met minimale schade. Ons deurmatje loopt wat meer knaagschade op. De campingeigenaar kan er hartelijk om lachen, en het zijn immers niet zijn honden die daar op zijn kampeerterrein rondzwerven. Excellente service en inlevingsvermogen dus.

De volgende dag is een plandag. Kwin gaat aan de slag met de kaart en de route voor de komende tijd. Ik schrijf honderd shipping companies en agents aan om onze overtocht van Zuid-Amerika naar Centraal Amerika te regelen. Bijzonder vreugdeloos werk met slechte websites en weinig respons. Aan het eind van de dag doen we inkopen en besluiten we ook te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om nieuwe banden aan te schaffen. We vinden twee bedrijven die onze maat banden verkopen en op voorraad hebben. We geven bij het bedrijf die het beste merk heeft aan dat we morgenochtend terug zullen komen om ze te laten monteren. Daar is het nu ondertussen te laat voor, ze gaan bijna dicht.

We staan om 9 uur ’s ochtends op de stoep van het bandenbedrijf. Oeps, ze blijken toch onze maat banden niet op voorraad te hebben. Kansloos. We gaan naar het andere bedrijf. Ook die blijken bij nader inzien (terwijl ze het de dag ervoor uitgebreid hebben zitten checken) onze maat banden niet in huis te hebben. Onwaarschijnlijk! Dan zoeken we nog even verder, en vinden een derde bedrijf. Die heeft wel onze maat banden op voorraad. Ze hebben deze ochtend alleen geen tijd meer om ze te monteren. ‘Dan had u hier om 9 uur moeten zijn. Toen hadden we nog ruimte.’ We slaken een diepe zucht, en gaan akkoord met plan B: we kopen de banden daar, en laten ze bij een ander bedrijf monteren. Die hebben nu wel tijd. We laden de vier grote banden in en proberen de routeaanwijzingen te volgen. Dit gaat niet heel succesvol. Uiteindelijk vinden we het dankzij de geniale app Citymaps2go. Daar zijn we al de hele tijd op aan het navigeren, en het werkt een stuk beter dan aanwijzingen als ‘bij het grote voetbalveld naar rechts’ wanneer dat voetbalveld niet zichtbaar is achter een muur en huizen.

Bij deze garage is er binnen een autobandenkerkhof. Tot de nok toe gevuld, met nog net genoeg ruimte voor wat apparatuur. Het werk aan de auto’s gebeurt op straat. Eerst wordt de achterkant opgekrikt. De oude banden gaan er goed af. De nieuwe banden niet zo makkelijk op. Ze moeten een binnenband gebruiken. Hoewel we de prijs bij het eerste bedrijf hebben vastgesteld moeten we extra betalen voor de ventielen bij onze banden. Dan beginnen ze de achterbanden weer op de auto te zetten. Waarop Kwin opmerkt dat ze nog niet gebalanceerd zijn. Nee dat is niet zo nodig, vindt de monteur. Wij vinden van wel. Dan blijkt dat ze niet het juiste opzetstuk hebben voor de balanceermachine voor onze banden, wat verklaart waarom de monteur het niet zo nodig vindt. We eisen toch balanceren. Dat is beter voor de banden en zat bovendien in de afgesproken prijs. Na veel discussie en nog meer wachten (waarbij wij ze op gepaste intervallen helpen herinneren dat ze hun volle aandacht bij onze banden zouden hebben) is de oplossing dat de monteur met de banden naar een ander mannetje gaat rijden om ze daar te laten balanceren. Kwin rijdt met hem mee. Het station van ‘trust but verify’ is allang gepasseerd. Tijd voor micromanagement.

Enige tijd later komen ze terug. Gelukt! Nu de volgende twee banden nog… Ondertussen is het lunchtijd, en smeren we een broodje in onze opgekrikte auto. Dan vertrekt Kwin weer met onze supermonteur voor het balanceren van de voorbanden. Maar zoals we al zeiden. Lunchtijd. Dus het balanceermannetje is opeens dicht. Sterk staaltje organisatie, dat ze dat zo goed met elkaar hebben afgestemd. We wachten. Zij bellen. Af en toe. Uiteindelijk krijgen ze hem weer te pakken. Hij zal terugkomen. En doet dat ook daadwerkelijk! Rond een uurtje of twee is onze auto eindelijk voorzien van vier nieuwe, gebalanceerde sloffen, en kunnen op weg naar San Pedro de Atacama.

De weg daar naartoe is prachtig. Het is puur woestijngebied met woeste rotsen en haarscherpe duinen. Doordat we zo laat zijn zien we ook nog een spectaculaire ondergaande zon over dat alles. Mooi hoor.

Het is dus ook al donker wanneer we San Pedro de Atacama binnen komen. Dit blijkt een onwaarschijnlijk toeristisch stukje aarde. Met matige campings. De eerste lijkt goed, maar is vol. De tweede is een volle parkeerplaats met vieze voorzieningen. De derde heeft stampende muziek opstaan. Die zal snel ophouden hoor. Zo rond 2 uur ’s nachts. De volgende is een hippiecamping. De parkeerplaats waar we kunnen staan is wat gezelliger dan de vorige optie. Het is laat, we zijn moe, we hebben honger en we zijn er klaar mee. Kwin zet zich over zijn hippie-aversie heen en we parkeren. En inderdaad, er lijkt sprake van enige hippiehypocrisie: de aarde redden gaat beter zonder de carbon footprint van reizen door Zuid-Amerika, en de ‘alles zo goedkoop mogelijk’ mentaliteit strookt niet helemaal met de vele dure telefoons die in het keukenblok aan de oplader hangen. Een ander nadeel van deze camping is dat de douches alleen ’s ochtends water hebben en dat er ’s avonds mensen blokfluit spelen. We besluiten de volgende dag zo snel mogelijk op zoek te gaan naar een andere camping.

Gelukkig hebben we voor het zoeken van een andere camping wifi nodig, dus kunnen we onze eerste prioriteit met de tweede combineren: een kopje koffie. We vinden een hele aardige aan een leuk pleintje. Hét pleintje, want zo veel heeft San Pedro de Atacama niet om het lijf. Op Tripadvisor staat een camping aangeraden die we gister nog niet hebben gezien. Een toerist waarschuwt wel dat het echt vijf hele minuten lopen is naar het centrum. Onverlicht! We denken deze gruwel wel te kunnen doorstaan, en komen even later aan in een klein paradijs. Er is ruimte. Er is rust. Er is een verwarmde badkamer. We weten niet hoe snel we terug moeten om onze bus op te halen en te verhuizen. Terug op de hippiecamping blijkt ons matje voor de deur gejat. En vijf meter verderop voor hun eigen deur weer neergelegd. REALLY?!??? Was het niet duidelijk dat de camper met uitgeklapt dak en matje bijna onder de auto in gebruik was, inclusief dat matje? Sjongejongejonge.

We halen ons matje weer op en rijden snel weg. De opluchting is groot wanneer wij en ons busje veilig en rustig op de eco-camping staan. Vervolgens trekken we het dorp weer in (vijf hele minuten lopen) op zoek naar een tour voor de Tatio Geysers. Dat schijn je ook met een eigen auto te kunnen doen, maar dat is wel twee uur erg slechte weg. En ze raden aan het vroeg in de ochtend te doen. (Wat hebben tours daar toch mee?) Niet het moment om zelf te gaan hobbelen. Na in een paar kantoortjes vrijwel hetzelfde verhaal te hebben gehoord kiezen we voor een wat duurdere die zegt het net wat anders en beter te doen dan de rest.

Met de tickets op zak (vertrek: half 5 des ochtends) lunchen we rustig op de camping, en vertrekken daarna naar de Valle de la Luna. Dat is een van de vele gebieden op aarde met woestijn en rotsen dat naar de maan en haar landschap vernoemd is omdat het zo exotisch klinkt. We vinden het wel aardig. Het is inderdaad een mooi gebied, maar we vonden de rit naar San Pedro inclusief ondergaande zon eerlijk gezegd indrukwekkender.

Naast het natuurschoon bewonderen we ook drie rotsen die op drie Maria’s zouden moeten lijken. Tja. Misschien als je je ogen bijna dichtknijpt en je hoofd 30 graden naar links kantelt. We maken nog een leuke wandeling langs een gigantische duin met messcherpe rand, en worden daar een tijdje gezandstraald terwijl we wachtend op de ondergaande zon. Daarna gaan we maar snel naar huis voor het eten en ons bed. Morgen moeten we al vroeg genieten van het hoogste thermische veld ter wereld.

Het is heel erg vroeg, vier uur. Ons tourbusje is iets te laat, en daarna gaan we nog uitgebreid het centrum in om andere mensen op te halen. Wanneer ze klaar zijn met hun ronde tellen ze hun schapen en blijken er twee te missen. Ze hebben er twee laten staan bij een hotel waar we al zijn geweest. D’oh! Dan volgen er twee uur hobbelige slaap in een busje met weinig beenruimte. Het is al aardig licht wanneer we bij de Tatio Geisers aankomen. We starten (niet als enige, zoals wel gesuggereerd bij de verkoop van deze duurdere maar betere tour) in het zuiden van het thermische veld. Er zijn verschillende borrelende creaties, van kleine vijvers tot kokende fonteinen. Tijdens het ontbijt (er is niet genoeg beleg) komt eindelijk de zon over de bergkam. We beginnen langzaam te ontdooien. En we komen gapend tot de conclusie dat we die geisers minstens zo mooi vinden bij daglicht. We maken nog een stop bij wat rotsen met een soort konijnen met een lange staart. Daarna is er tijd om te dobberen in het natuurlijke zwembad.

Kwin kan een thermisch bad nooit weerstaan, en we hijsen ons in badpak (koud) en laten ons zakken in het water (lauw). We verplaatsen ons op zoek naar iets warmere stromen en kunnen daar vervolgens niet blijven (heet). Tijd om weer aan te kleden en verder te rijden langs een pittoresk dorpje. Omdat onze gids ons (ongevraagd) wat meer tijd wilde geven bij de geisers (lees: slecht timemanagement heeft gevoerd) hebben we alleen tijd om even te stoppen langs de weg en van daaruit het mooie kerkje te fotograferen.

Kwin vat onze ervaring van de Tatio geisers weer accuraat samen: ‘ze waren wel aardig’. Het was zeker mooi, maar niet spectaculair met hoge spuiters of iets dergelijks. En we vonden het zeker de moeite waard, maar niet zo vroeg. Conclusie: bezoek ze op je gemak met je eigen auto. Maak eerst een lekker ontbijt, en neem dan alle tijd om de slechtere wegen rustig af te leggen. Geniet van het uitzicht door er rustig (en ik neem aan vrijwel alleen gezien alle tours ’s ochtends gaan) doorheen te wandelen. Smeer een lunchbroodje en neem de andere weg terug langs mooie cactussen en minuscule dorpjes. En geniet vervolgens van de rest van je middag zonder slaapgebrek van een kopje koffie op het centrale plein. Topervaring!

We hebben nog een dagje rust in San Pedro, en gebruiken die om onze padrón op te halen bij de lokale Registro Civil. Hebben we eindelijk het eigendomsbewijs van ons busje in handen. Verder checken we het museum over de geschiedenis van het gebied (voorlopers van de Inca’s, slim gebruik van water in de woestijn), doe ik nog wat onderzoek naar de shipping mogelijkheden voor onze camper en pleegt Kwin nog wat auto-onderhoud. En drinken we uiteraard een kopje koffie in het centrum.

Bij vertrek de volgende dag horen we een raar geluid in de motor. Kwin doet de motorkap open om te kijken. En Kwins zonnebril valt uit de motor op de grond. Een paar kleine beschadigingen, maar nog prima bruikbaar en niet verbogen! Een klein wonder na vele honderden kilometers. Het rare geluid verdwijnt vervolgens spontaan, en we rijden naar Calama om daar boodschappen te doen voor onze rit naar Bolivia en Uyuni. We willen nog een kopietje maken van onze padrón, en terwijl ik de autopapieren sorteer zie ik dat op onze permiso de circulacion (bewijs waarmee je met de auto de weg op mag) een fout staat: het merk is Chevrolet in plaats van Ford. K**. Het zou best eens kunnen dat dat een probleem wordt als we de grens over willen.

We proberen het bij de Municipalidad van Calama. Daar kunnen ze niets voor ons betekenen. Dan proberen we de Municipalidad te bereiken die onze permiso heeft uitgegeven. Na een paar keer verkeerd te zijn doorverwezen krijgen we iemand aan de lijn van de balie zelf. Die zegt dat we langs moeten komen voor een nieuwe permiso. Het blijkt niet mogelijk om die op een ander kantoor op te halen. Uiteindelijk besluiten we genoegen te nemen met een screendump die de mevrouw van haar systeem heeft gemaakt van dat ze de fout hersteld heeft. Terwijl ze die naar ons mailt drinken wij ons verdriet weg met een uitstekend kopje koffie in het winkelcentrum. En als we daar dan toch zitten bestellen we ook een Menu del Día.

Omdat het ondertussen te laat is om verder te rijden gaan we op zoek naar een camping. Die vinden we iets buiten het centrum, achter een mooi huis met zwembad. Terwijl we rustig een biertje drinken naast ons busje komt er een lama voorbij gesprint. Wat een bizarre beesten. Die zijn zeker niet ontworpen voor elegante snelheid. We brengen ook nog onze was weg om later die avond weer op te halen, en dan zijn we helemaal klaar voor het avontuur van onze eerste grensovergang de volgende dag.

We vertrekken op tijd uit Calama, en nemen pas richting Uyuni. De weg naar de grens is eerst verhard, daarna niet meer. Toch kunnen we nog aardig doorrijden. En het uitzicht is spectaculair. We kronkelen rustig omhoog langs prachtige hoogvlaktes en indrukwekkende rotsformaties. De hoogvlaktes doen hier hun naam zeker eer aan: we gaan tot 4000+ meter. Het is nog redelijk droog woestijngebied, met hier en daar wat groen. We lunchen bij een kleine zoutvlakte, en in de namiddag komen we bij een piepklein en grotendeels verlaten bergdorpje. Dit blijkt de grens te zijn. We hebben het niet nagezocht, maar dit zou best eens de hoogste grenspost ter wereld kunnen zijn.

Terwijl we wachten op het douanepersoneel om Chili te kunnen verlaten hebben we tijd om het land te evalueren en onze conclusies te trekken.

We hebben erg van Chili genoten. De natuur is prachtig, de mensen doorgaans aardig en het weer meestal goed. De sfeer is prettig, en hoewel er duidelijke cultuurverschillen zijn is het toch stiekem Amerikaans genoeg om ons als westerling op ons gemak te voelen. Het snelle en moeilijk verstaanbare Spaans is al snel vergeven en vergeten in een gigantisch winkelcentrum met alle bekende ketens, en de 3 literflessen cola doen goedwillend glimlachen om die rare Amerikaanse gewoontes.

Er zijn twee dingen die ons vooral bij het kopen van dingen minder kunnen bekoren. Hoewel de winkels van buiten en de producten daarbinnen duidelijke USA trekjes vertonen, zijn de processen daar omheen vaak traag, bureaucratisch en niet klantvriendelijk. Zo kan je vrijwel alles kopen wat je hartje begeert, maar kost het al snel richting een uur om dat af te rekenen. Er vormen zich eindeloze rijen, doordat de kassamedewerkers voor bijna iedere handeling de kassasupervisor moeten oppiepen om toestemming te geven. Is er een korting op een artikel? Supervisor nodig. Per ongeluk een artikel te veel aangetikt? Supervisor nodig. Betalen met cheque of kortingsbon? Supervisor nodig. En natuurlijk kan je ook het saldo je mobiele telefoon bij de kassa laten opwaarderen (telefoonnummer 3 keer herhalen, intypen, ondertekenen). En doet het mannetje die de snoeren afmeet in de winkel het papiertje met het soort en de prijs er met zoveel tape omheen dat het onleesbaar is en de kassamedewerker er een stanleymes bij moet pakken en het tape er stukje bij beetje voorzichtig af moet halen.

Vervolgens heeft de persoon voor jou natuurlijk een bonnetje op naam nodig (invoeren, supervisor), en krijgt iedereen hoe dan ook 3 bonnetjes per aankoop mee. Die vervolgens nog een keer gestempeld worden door de beveiligingsmedewerker bij de deur. En dan sta je buiten en realiseer je je dat je iets vergeten bent. Dat zijn emotionele momenten.

Naast dit gebrek aan efficiëntie ontbreekt ook de extreme servicegerichtheid van Amerika. In de grote ketens uit zich dat met name in dat ze de processen niet aanpassen maar dat de mensen zich hebben aangepast (ga met zijn tweeën boodschappen doen. De ene persoon gaat vast in de eindeloze rij staan bij binnenkomst terwijl de ander het mandje steeds verder vult). In de kleinere winkels en werkplaatsen komt dit neer op werkschuwe beunhazerij. En dat is prima, zolang er ook beunhaasprijzen worden gerekend. Maar de prijzen in Chili zijn minstens even hoog als in Nederland, en dan verwachten wij toch net wat meer.

Maar dat zijn kleine ergernissen waardoor je denkt dat je er misschien toch niet zou willen wonen, terwijl het er verder geweldig toeven is. Wij vinden het een fijn land, en komen zeker nog een keer terug om het gedeelte te zien wat we nu hebben overgeslagen tussen Punta Arenas en Santiago. Toch al snel bijna de helft, dus dat wordt weer een mooie lange vakantie 🙂

Chili: check. Op naar Bolivia!

Posted in Chili, Panamericana | 3 Comments